|
Overwegingen
|
Zondag 22 januari 2012 - ds. Evert Jan Veldman |
|
|
|
|
Geschreven door Ds Evert Jan Veldman
|
|
zondag 22 januari 2012 11:32 |
|
1 Korintiërs 8
Marcus 1: 14 – 20
I
Toen mijn dochter Nina een klein meisje was, kon ze op een stoeprand staan en naar de straat kijken alsof ze op een skischans stond en in de diepte keek. Ze knikte dan door haar knietjes, klaar om van de stoeprand te springen, en bedacht zich dan. Nee, toch maar niet. Springen was een brug te ver voor haar.
Mocht ik ooit nog eens opa worden, dan neem ik me voor het anders te doen dan ik met Nina deed. Ik zou weer naast het kleine meisje gaan staan en haar hand vast houden. Maar ik zou niet meer als eerste van de stoeprand springen en in die beweging het kind van haar plaats trekken. Iets dat ik met Nina wel gedaan heb. Want ik vond het net iets te gortig dat zij niet van de stoeprand durfde te springen. De echte drijfveer voor de sprong was mijn ergernis over het gebrek aan moed. Ieder kind durft toch van een stoeprand te springen! Nou nee, Nina dus niet.
Mocht ik ooit nog eens opa worden (of voor een kind een soort opa zijn), dan zou ik opnieuw naast het kind gaan staan en het de hand vasthouden. Maar niet om het in mijn volwassen durf van de stoeprand af te trekken. Ik zou wachten en naar het kind kijken. Ik zou de beweging volgen van de voorgenomen sprong. En weer wachten als het er toch nog niet van kwam. Ik zou wachten tot dat moment dat ik de spanning zou voelen van die kleine hand in mijn hand en het kind de beweging omzet in een echte sprong in het diepe – tien centimeter onder de stoeprand.
II “Alleen de liefde bouwt op,” schrijft Paulus. Het zijn de enige woorden uit de brieflezing die direct iets met me doen. De rest vraagt om uitleg en enig inzicht in wat de huisgemeente in Korinte bezig houdt.
Er is discussie over de vraag: mogen we offervlees eten, mogen we vlees eten dat gebruikt is in een tempel, gewijd aan afgoden? Zoals overal op de wereld waren er vaste dagen en tijden om een bepaalde god of godin gunstig te stemmen met een offer. In een uitgebreid ritueel werd dan een dier geslacht en een deel van het vlees geofferd. Het vlees dat overbleef werd dan tijdens een feestelijke maaltijd genuttigd, waarbij de initiatiefnemer vaak anderen uitnodigde om deel te nemen aan de maaltijd. Of het vlees werd verkocht op de markt, gewoon met het andere vlees.
En nu was de vraag, die onder de eerste christenen in Korinte leefde: Kun je eigenlijk wel aan zo’n maaltijd deelnemen, waar je vriendelijk voor wordt uitgenodigd? Of: Hoe weet je nu zeker dat het vlees op de markt niet gebruikt is bij een offerritueel aan een of andere god? Wij willen immers niets meer te maken hebben met die goden. We zijn er eindelijk af. We zijn vrij. Dan eet je dat vlees toch niet? Dat kun je toch niet maken?
En tegelijkertijd: Waarom zouden we niet van dat vlees kunnen eten? Paulus maakt het duidelijk: vlees is gewoon vlees. Ja, het is geofferd aan een of andere god, maar hoezo, waar hebben we het dan over? Zo’n god is niet meer dan een beeld waarop je je angsten en verlangens projecteert. Je weet toch dat er niks achter zit, dat zo’n god slechts schone schijn is? Dan is dat vlees toch gewoon vlees waar je van mag genieten en de Ene voor mag danken?
Dat is het spanningsveld in de gemeente van Korinte. Er zijn mensen die zeggen: Doe het niet. Zo dwalen we weer terug naar waar we vandaan kwamen. We zijn toch niet voor niks door Christus vrij gekocht uit onze oude angsten en verlangens? Als we dat vlees eten, zijn we weer met ons hart en onze buik bij gisteren. Anderen zeggen dan: Maar dat is ‘t ‘m nou net: we zijn vrij en dan moeten we ons geen nieuwe angst aanpraten. Heel Korinte is van Christus, ook al weet de stad dat nog niet. Keer je niet af van de mensen, als je wordt uitgenodigd. En geniet van het goede dat Gods aarde ons geeft.
III
Paulus is het met deze laatsten eens. Maar hij zegt vervolgens niet: Gewoon dóen! Hij betrekt de liefde in het spel. Behandel de ander met zachtheid, zegt hij. Want je kunt honderd keer gelijk hebben dat het maar een klein stukje is van de stoeprand naar de straat, voor die ander geldt dat niet. Die ander zit er mee als hij offervlees eet en hij verliest zijn vreugde en zijn vrijheid die hij in Christus heeft gewonnen, wanneer jij hem van de stoeprand trekt. Dan is ie verloren, zegt Paulus. Niet voor de hemel of de eeuwigheid of zo, maar in het nu. Hij voelt zich rot en schuldig over het eten van dat vlees.
Jij hebt voor je broeder-of-zuster als Christus te zijn. Houd contact met de zwakheid van de ander – want zo benoemt Paulus die angstige houding wel. Omarm die zwakheid. Accepteer de ander. Want de liefde die je zo laat zien, weegt oneindig veel zwaarder dan jouw gelijk. Wees als Christus voor de ander. Houd haar in liefde vast, tot ze in die liefde de kracht vindt om zelf van de stoeprand te springen. Pres de ander niet met jouw gelijk. “Kennis maakt verwaand,” zegt Paulus, “Alleen de liefde bouwt op.” En, voegt hij er tenslotte aan toe: “Als ik dus door vlees te eten mijn broeder of zuster ten val breng, wil ik het nooit ofte nimmer meer eten.” Paulus is heel duidelijk: alle kennis wortelt in Gods liefde. Raakt ze daarvan los, dan maakt ze verwaand. Je kunt (volgens Paulus) alleen maar kennen, omdat God jou gekend heeft in zijn oneindige liefde; omdat hij naast je kwam staan en je hand pakte toen jij in de afgrond van jouw bestaan keek.
IV
Wat Paulus hier schrijft, is nog niet zo makkelijk te vertalen naar onze tijd. Elkaar vrij laten in doen en denken is wel ongeveer het hoogste goed dat wij elkaar te bieden hebben. En ook al eet ik zelf geen vlees meer, ik zou het Paulus nog niet een-twee-drie nazeggen: “Als ik dus door vlees te eten mijn broeder of zuster ten val breng, wil ik het nooit ofte nimmer meer eten.” Want er zijn grenzen aan wat ik laten wil voor een ander. Als de tenen van de ander zo lang zijn, dat ik niet anders kan dan er op gaan staan, dan zij het zo.
Als er geen mensen waren geweest, die gevochten hadden voor hun individueel recht op zelfontplooiing, vanuit een houding van ‘je kunt me wat!’, dan zat elke homoseksueel nu nog in de kast en werd onze kerk nog bestuurd door louter oude mannen. Was voor Paulus de onderlinge liefde in de gemeente het grootste goed, voor ons is dat het respect voor de individuele vrijheid van de ander en van die van jou. En dat gaat het gemeenteleven te boven en te buiten.
Toch zijn ook wij vandaag op zoek naar de plek waar de individuele vrijheid in onze cultuur ankert. Om die vrijheid niet kwijt te raken in de stormen van deze tijd. En dan kom ik toch uit bij oude begrippen als compassie en zorg voor de zwakken. Individuele vrijheid houdt het alleen maar als de een de ander niet uit het hart sluit. En komt dat niet dicht in de buurt bij Paulus’ uitwerking van de vrijheid in Christus?
In de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen |
|
|
Zondag 8 januari 2012 - ds. Evert Jan Veldman |
|
|
|
|
Geschreven door Ds Evert Jan Veldman
|
|
zondag 08 januari 2012 12:12 |
|
1 Korintiërs 6: 12 – 15
Matteüs 2: 1 – 12
I
“Alles mag ik!” Zie het vooral als een juichkreet. “Niemand legt mij meer een wet op. Ik ben van Christus. En wie van Christus is, is vrij!” Misschien hebben de leden van de huisgemeente in Korinte dat wel van Paulus zelf gehoord. Het zou me niet verbazen. Want anders dan het vooroordeel dat hij een pausje was van ‘dit mag niet’ en ‘dat mag niet’, hing heel zijn denken, doen en laten, aan de juichkreet: “Broeders en zusters, u bent geroepen om vrij te zijn!” (Galaten 5: 13) Die boodschap is aangekomen. De huisgemeente heeft zich als het ware om de juichkreet heen gevormd. Wie van Christus is, is vrij! De leden van de gemeente waren vooral bekeerde stadsbewoners; geen kinderen uit Israël. En ze kwamen vooral uit de maatschappelijke onderlaag – flexwerkers in de haven, sjouwers, slaven, mensen zonder aanzien.
Ze zijn het Paulus na gaan zeggen: “Alles mag ik!” en ze hebben zich in het volle leven van de wereldstad gestort. Want ook de stad behoort Christus toe en niet de keizer en zijn paladijnen en ook niet de havenbaronnen. Heel dat leven van ‘wie doet me wat?’ was een vooruitlopen op het feest van Christus’ wederkomst en zijn machtsovername. Zo toonden zij een nieuw zelfbewustzijn, dat niet beknot werd door machten en krachten die hen klein probeerden te houden.
Paulus krabt zich achter de oren en schrijft de gemeente een brief vanuit de stad Efeze. Had hij het zo bedoeld? We lazen vanmorgen maar een paar verzen van de lezing die op het rooster staat. Daarin blijft Paulus nog het meest fatsoenlijk. Want hij gaat behoorlijk tekeer. De stad lijkt wel één grote hoerentent en vreetschuur, met jullie erbij! Spannend om er achter te komen hoe die uitbarsting zich verhoudt tot de juichkreet “Alles mag ik!” Wat zal Paulus doen? Zal hij de juichkreet voorzien van kleine lettertjes, met het risico dat de kreet aan kracht verliest? Zal hij de vrijheid, die ons in Christus gegeven is, omgeven met paaltjes en prikkeldraad – iets dat de kerk later in ieder geval wel gedaan heeft? Want het is toch het een of het ander: Of alles mag, of niet alles mag.
II
Hoe gaat Paulus met dit dilemma om? Hij schrijft ze niets voor, hij geeft ze te denken. Hij trekt niet in wat hij hen ooit verkondigd heeft: “Alles mag ik!” Hij herhaalt het twee keer en voegt er twee keer iets aan toe. En nu citeer ik even uit de vertaling van de Naardense Bijbel omdat daarin scherp naar voren komt dat Paulus niets af doet van de geloofsuitspraak: “Alles mag ik!” – “ ‘Alles mag ik’, maar niet alles is heilzaam. ‘Alles mag ik’, maar ík zal niets de macht over mij geven.” (vers 12)
Toets, telkens als je de vrijheid neemt die jou gegeven is, of je meer mens wordt. Letterlijk vraagt Paulus of het je wat oplevert. Want als dat niet zo is, dan gaat het ten koste van jezelf. En waarom zou je dat willen? Dan tast het je vrijheid aan. Dan wordt het ‘ik’ steeds kleiner en het ‘alles’ steeds groter, tot je er onder bezwijkt. Interessant is het woord dat Paulus gebruikt: “Levert het wat op?”, “brengt het samen?” De leden van de gemeente staan op de onderste sport van de maatschappelijke ladder. Ze worden er tot ‘niemand’ gemaakt omdat dat de keizer en zijn paladijnen het meest oplevert. Alle rijkdom wordt samengebracht in Rome. “Alles mag ik!”, in dat geloof gaan de machten hun eigen gang. Paulus vraagt aan de gemeente: Is dát de vrijheid van Christus? Is dát wat jullie willen: de machten nadoen?
Paulus verankert het “Alles mag ik!” in de christelijke vrijheid. Hij vraagt aan de gemeente: “Toets jezelf. Klopt het nog? Niemand anders dan jij kan op die vraag het antwoord geven. En kijk elkaar daarbij aan. Brengt dat antwoord jullie samen zoals Christus jullie samen brengt? Maakt het ook die ander tot meer mens? Is Christus herkenbaar in jullie midden? Weet je nog dat je met lijf en ziel van Hem bent; dat Hij jouw vrijheid is, dat Hij jou uit de slavernij heeft los gekocht, uit dat ieder voor zich en de uitsluiting van de onderkant voor ons allen; en dat die nieuwe vrijheid jou broeders en zusters heeft opgeleverd in plaats van concurrenten op de arbeidsmarkt?” “Alles mag ik,” schrijft Paulus, “maar ík zal niets de macht over mij geven.” Dus aan jóu is het om antwoord te geven op de vraag of je alles moet doen wat je mag.
III Is dat niet herkenbaar? Er is gestreden voor een vrije samenleving. Maar dat is ook al weer zo lang geleden dat het “Alles mag ik!” niet meer klinkt als een kreet van vreugde, maar meer als een eis. De aarde putten we uit. We leven op kosten van generaties die komen. Landen in Europa leggen de rotzooi bij elkaar neer en bij de onderkant die zich niet kan verweren, om maar zo lang mogelijk het feest uit te kunnen zitten van “Alles mag ik!” De wereld is, om met Paulus te spreken, een hoerentent en een vreetschuur geworden. De gemeenschap tussen mensen is koopwaar aan het worden. Zorg inkopen is een term die we zo langzamerhand beter verstaan dan de kunst van zorg verlenen. En Morbide Obesitas is een volksziekte aan het worden, waarbij mensen zich in alle vrijheid dood dreigen te eten.
Moet dat nou zo, dominee? Moet het nou daar over gaan? Mag het niet gaan over schoonheid en troost, over de hemel en onze ziel? Ja, alles mag. Maar het is goed om vandaag van Paulus te horen dat niet alleen onze ziel, maar dat ook ons lijf en de aarde waarop wij leven er is voor de Heer en niet voor de hoererij. En neem dat laatste maar overdrachtelijk, zodat u Paulus’ woorden ook ter harte kunt nemen wanneer u netjes op uw gewicht let en u uw geld niet uitgeeft in de Muurstraat. Het gaat om de vraag of de vrijheid, die wij genieten, de vrijheid van “Alles mag ik!”, nog ergens in verankerd ligt, of dat het zo is dat het puur een financiële kwestie is geworden. Een kwestie dus van “Wat levert het mij op?” Mét de financiële crisis waarin Europa zich bevindt, ligt ook de vraag op ons bordje waar het anker van de vrijheid gezocht moet worden. Een vraag waar niemand zich aan kan onttrekken, omdat het om ieders vrijheid gaat.
IV De troost ligt voor mij in het woord van Paulus: “Het lichaam is niet voor de hoererij maar voor de Heer…” En vooral in wat er op volgt: “… en de Heer voor het lichaam.” Hij trekt zich niet terug in het hiernamaals. Zoals God Hem heeft opgewekt, die ons voorgaat naar Galilea en naar Korinte en naar elke uithoek waar mensen uitgesloten worden van vrijheid, zo zal God hen en ons opwekken door zijn kracht. Dat is de boodschap van het evangelie vandaag.
“Crisis als kans,” zeggen de optimisten. Maar ik zeg u: de opgestane Heer is meer dan een kans. Hij heeft van God de macht ontvangen in hemel en op aarde om bij de lijdende en ontredderde mensen te zijn, om hen te onttrekken aan de macht van de hoerentent en hen tot zijn lichaam te maken – een gemeenschap waarin de zorg voor elkaar en de zorg voor de aarde een nieuwe vrijheid genereert. Een vrijheid waarin ook de minste van de mensen door God wordt opgewekt en tot een nieuw belijden komt: “ ‘Alles mag ik’, maar ík zal niets de macht over mij geven.”
Laat het zó zijn.
Amen. |
|
Nieuwjaarsmorgen 2012 - ds. Evert Jan Veldman |
|
|
|
|
Geschreven door Ds Evert Jan Veldman
|
|
zondag 01 januari 2012 08:39 |
|
Numeri 6: 22 – 27
Lucas 2: 21
Het nieuwe jaar 2012 begint op zondag. Dat het maar een ‘zondagskind’, een jaar van geluk mag worden! Het is trouwens niet zomaar een zondag. Het is het octaaf van kerst – de achtste dag. Vandaag wordt de naam geroepen van het kind van Bethlehem: Jezus – God redt. Welke God? Die Ene die zich niet laat vangen in onze beelden. Die in het Eerste Testament wordt aangeduid met de vier letters, die niet worden uitgesproken. Vier letters die zelf spreken in psalmen en profetieën, in geboden en verhalen. Hij zal er zijn. Hij overkomt ons steeds opnieuw. Bevrijder – Trooster – Reisgenoot.
Hij spreekt zich uit in het kind van Bethlehem. Vandaag moet het geroepen worden: Jezus – God redt. Vandaag, de achtste dag – de dag van de besnijdenis, teken van Gods verbond met Abraham en zijn nageslacht. Nooit valt God samen met mensen. Maar dat verbond stáát en snijdt diep in in de menselijke verhoudingen. Abraham wordt als het ware losgesneden uit zijn familiebanden en uit het lot dat de natuur aan mensen oplegt.
Dood gaan is het lot van alles wat leeft. De natuur kent een ritme en dat is opgaan, blinken en verzinken. Maar Abrahams kinderen leven uit het verbond waar levensgroot boven geschreven staat: “God redt”. De voorzichtigheid waarmee het Eerste Testament de godsnaam spelt en de weigering die naam hardop uit te spreken, heeft te maken met het geloof dat wij God niet hoeven te verzinnen om hem vervolgens te gehoorzamen. Hij overkomt ons met de overmacht van liefde. En wij mogen er in opademen. Wat dat is geloven in de eerste plaats: opademen in zijn liefde.
In de bijbel wordt er tot zeven geteld, het getal van de volheid. Zeven scheppingsdagen kunnen heel het leven dragen. De achtste dag valt buiten die orde. Acht is het getal van de eeuwigheid die alle tijd doorsnijdt. Acht is het getal dat het ons mogelijk maakt om over onze dood heen te zien en terug te gaan tot vóór onze geboorte. Onze tijd is opgenomen in Gods tijd. Zo draagt een mens, anders dan elk ander levend wezen, verantwoordelijkheid voor de generaties die nog komen. En zo weet een mens ook dat hij niet de eerste en de enige is die telt, maar dat er generaties voor hem zijn geweest die hebben lief gehad en ruimte hebben gemaakt.
De natuur zegt: “Je leeft nu. Dat is jouw lot. Je hebt er niet om gevraagd. En morgen ga je dood. Stof tot stof.” Het leven speelt zich af tussen geboorte en dood. De bijbel zegt: “Je leeft nu. En je zúlt leven. Want leven is uit God. Dat woord houdt stand, ook als jouw bloem verdort.” Als natuurmens stérf je. Als kind van God lééf je. Is dat niet de ware betekenis van zowel de besnijdenis als de doop?
Deze taal is niet geboren uit angst voor de dood. Dit is geloofstaal die uit het hart van God ontsproten is. Vol van leven is deze taal: Leven in gemeenschap. Leven voor de vrede. Leven voor het recht op leven. Leven op de lange adem. Dat is onze kant van het verbond. Als de vier letters die niet worden uitgesproken zoiets betekenen als ‘ik zal er zijn’, dan zijn ze ook een appel: Wees jíj er dan ook!
En boven dat menselijk project en ook ongrijpbaar daar middenin ontvouwt zich de Naam, die wel kan worden gespeld maar niet kan worden uitgesproken. Het antwoord daarop in mensentaal is: “God redt!” Woorden om uit te zingen. Woorden op onze lippen gelegd.
Wij leven niet om dood te gaan. Wij leven om te leven. Daarom begint een dag in de Bijbel ook niet bij het licht om in donker uit te monden. Het is precies andersom: een dag begint als de zon is onder gegaan. Om te wachten op het licht. Zoals de wachter op de muur van Jeruzalem, aan wie gevraagd wordt: “Wachter, hoe ver is de nacht?” Waarop hij antwoordt: “De morgen komt al is het nog nacht.” (Jesaja 21). De dag eindigt in licht en niet in donker. Wij leven toe naar de geboorte van de nieuwe mens. Laten we daarvan getuigen in het jaar Onzes Heren 2012, onder een zegen die is als de klimmende zon die de meest donkere plekjes wil verlichten en verwarmen.
“Moge de heer u zegenen en u beschermen, moge de heer het licht van zijn gelaat over u doen schijnen en u genadig zijn, moge de heer u zijn gelaat toewenden en u vrede geven.” (Numeri 6: 24-26)
Amen |
|
|
Oudejaarsavond 2011 - ds. Evert Jan Veldman |
|
|
|
|
Geschreven door Ds Evert Jan Veldman
|
|
zaterdag 31 december 2011 20:19 |
|
“Mijn tijden zijn in uw hand”
(Psalm 31: 16 / NBG ’51)
I
“Mijn tijden zijn in uw hand,” zegt de psalmdichter in zijn gebed. Zou dat ook voor ons gelden? Zouden de brokstukken van het jaar 2011 ook in Gods hand liggen? Zouden wij dat, met de psalmdichter, biddend kunnen belijden? Alles opnoemen wat je in het afgelopen jaar niet buiten je ziel wist te houden. En dan toch zeggen: “Mijn tijden zijn in uw hand.” ?
Misschien zijn er tijden geweest dat u dat makkelijker afging dan vandaag. Oudejaarsavonden die u vervulden met weemoed. “Ach ja, dat is er ook nog gebeurd. En dat. En dat. En die is er niet meer. En die ook niet. Wat gaat de tijd toch snel. En: Wat is een mens nou helemaal?” Maar u kon het aan om terug te kijken en om alle wederwaardigheden in alle rust nog eens voorbij te laten gaan. Niet dat het geen inspanning kostte of geen verdriet los maakte, maar ergens wist u dat de oudejaarsavond een brug was tussen twee oevers, die stevig stonden; tussen twee jaren die stevig verankerd lagen in de tijd. En ergens achter die stevigheid vermoedde u misschien nog God, die het al in zijn hand hield.
Dat is niet meer zo gemakkelijk te geloven. We kennen de beelden van de tsunami die de Japanse kust teisterde en die (om het in Bijbelse taal te zeggen) ‘de bergen spleet en de rotsen aan stukken sloeg’ (1 Kon. 19: 11) Zo vast staan de oevers niet meer. We wankelen de brug over naar een nieuw jaar, zonder dat er nog een leuning is waar je je aan vast kunt klampen. We zijn de balans kwijt. Al een generatie lang venten we het grote goed van de individualiteit uit, de vrije keuze, het zelfstandig denken, doen en laten. En met succes, want zelfs op plekken, waar je het nog niet had verwacht, gingen in 2011 massa’s de straat op en bevolkten ze de pleinen met hun roep om individuele vrijheid. Maar nu wij zonder leuning de brug over wankelen naar een nieuw jaar, weten wij eigenlijk niet goed meer hoe we elkaar de hand moeten reiken; hoe we voor de ander tot steun kunnen zijn en de ander voor mij. Hoe deden ze dat vroeger ook al weer: vorm geven aan de solidariteit?
II
“Mijn tijden zijn in uw hand,” bidt de psalmdichter. En zachtjes bidden we er achter aan: “God, was het maar waar..” Als je een generatie lang hebt gestreden voor het recht op zelfbeschikking, kinderen hebt opgevoed in die vrijheid, de zegen van de zelfontplooiing hebt mee gegeven, dan kun je toch niet meer een god poneren die alles in zijn hand houdt? Het is te laat. We kunnen niet terug. En we moeten dat ook niet willen, hoe logisch het ook is dat je dat op de meest wankele momenten wel zou willen.
Individueel gebeurt dat ook. Ieder die de behoefte voelt, zoekt zijn eigen God. Een God voor ons allen, daar geloven we steeds minder in. Pas als hij ‘iets’ is geworden tussen hemel en aarde, knikken mensen voorzichtig van ‘ja’. Dat ‘iets’ wordt individueel gezocht en ingevuld. Een kerk komt daar voor de meesten niet meer aan te pas. Dat ‘iets’ krijgt smoel in intense gevoelens en ervaringen, die maken dat je het gevoel hebt dat jouw leven een diepere zin heeft. En wie er van hoort, denkt: “Dat wil ik ook.” Zoals mensen dat bij zo veel dingen denken.
“Mijn tijden zijn in uw hand,” bidt de psalmdichter. We laten de woorden toe in dit uur, ook al zijn ze niet meer van deze tijd. En toch. Zouden ze ook iets anders te zeggen kunnen hebben dan dat God alles in de hand heeft – iets wat we niet meer kunnen zeggen uit respect voor alle kennis die we hebben vergaard en de verantwoordelijkheid die we zelf als mensen dragen voor ons doen en laten?
Ik zie God voor me als een die klein geworden is. Zijn grote kracht gaat verborgen in kwetsbaarheid. Een God, zo klein dat niemand nog op hem zit te wachten. Zo klein dat ieder weldenkend mens wel over hem heen moet kijken. Ik zie hem scharrelen tussen de mensen, die wankelend de brug proberen over te gaan van 2011 naar 2012. Ik zie hem oprapen wat de mensen uit handen is gevallen en wat ze over de rand van hun ziel hebben gekieperd omdat het niet te harden was. En omdat het zo veel was en het met de jaren steeds meer lijkt te worden. Hij heeft een kleine hand. Anders dan de hand van kolossale standbeelden van grote leiders. Hij heeft een kleine hand en toch blijft hij maar bukken en scharrelen en rapen wat is gevallen – de scherven van onze overmoed en het ieder voor zich. Het past er allemaal in.
En met dat hij het verzamelt in zijn kleine hand, is het niet langer vergeten. Zo gaat hij met zijn mensen mee. Hij wacht niet tot zij hem opnieuw herkennen zullen als God. Hij wacht op elk moment waarop een mens de hand van de ander grijpt, als het wankelen struikelen is geworden. Hij wacht op elk moment waarop iemand zich toekeert naar een ander, zodat die ander eindelijk zijn verhaal kan vertellen, zijn onmacht kan delen, zijn verdriet kan tonen om wat voorbij gegaan is. En dan zal de ‘scharrelgod’ er zijn om het terug te geven en te zeggen dat het niet verloren is gegaan.
Laat 2012 opnieuw zijn jaar zijn!
In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen
Gebedsintenties
Wij bidden voor onze wereld, uw wereld, groot is het verlangen naar een spoor dat toekomst belooft voor kinderen en kindskinderen, verlangen dat wedijvert met het onvermogen en de onwil om recht te zetten en recht te doen.
Wij bidden voor wie wachten op solidariteit, op een thuis in de wereld, op het jubeljaar van recht en vrede.
Voor hen die mee bouwen aan toekomst, geïnspireerde hulpverleners, begeesterde opvoeders, moeders en vaders, kunstenaars, mensen tegen de stroom van oppervlakkigheid in die hoogte, diepte en perspectief aanreiken aan de kinderen van vandaag.
En voor de gemeente van de Nieuwe Kerk dat zij blijft vooruit grijpen op wat nog niet is, biddend om de Geest die haar open houdt, open naar elkaar, open naar de stad, open naar de toekomst.
Wij bidden voor hen die niet meer geloven dat zich nog iemand interesseert voor hun verhaal en daarmee opgesloten raken in eigen gepeins en bittere gedachten.
Voor hen die deze avond bepaald worden bij het verdriet om een geliefde die gestorven bij het dierbare dat voorbij gegaan is, mensen die met pijn de drempel van een nieuw jaar nemen.
Wij bidden voor hen die ziek zijn en het nieuwe jaar tegemoet gaan met een wankel lichaam en een onzekere geest. En voor hen die genegenheid ontberen voor wie de tedere momenten tot vage herinneringen van vroeger zijn verschraald.
Om rust en ruimte bidden wij waarin U komen kunt om mijn tijden in uw hand te leggen
……………………………………… |
|
1e Kerstdag 2011 - Voorganger ds. Evert Jan Veldman |
|
|
|
|
Geschreven door Ds Evert Jan Veldman
|
|
maandag 26 december 2011 12:26 |
|
Jesaja 52: 7 – 10
Hebreeën 1: 1 – 6
Johannes 1: 1 – 14
“Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond”
(Johannes 1: 14)
I Ergens voel je wel aan dat die woorden meer zijn dan voer voor filosofen. Maar je weet niet precies wat dat is. Je hoort erin de juichkreet die je raakt, zonder de woorden precies te verstaan. Maar waarom zou er geen vreugde kunnen zijn, die je niet kunt plaatsen; die je overkomt en in bezit neemt; die alles anders maakt zodat je al je maniertjes, al je overlevingsstrategieën los kunt laten? Je legt de wapens af waarmee je het leven te lijf ging en je je staande probeerde te houden. In plaats daarvan komt de vreugde van jouw redding, waar je niet om hebt hoeven roepen. Hij kwam. Hij zag. Hij overwon. “Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond”
Vanmorgen geen herders, geen engelen, geen os en geen ezel, geen stal en geen kribbe. Dat was de charme van afgelopen nacht – een nacht waarvan er maar één is in het jaar; een nacht die we voor geen goud willen missen omdat het ons lukt om die nacht te versieren met licht en met warmte. Even kind worden met de kinderen en spelen dat het leven goed is. En daar is niks mis mee. Het zegt iets over ons verlangen; een verlangen dat ons optilt uit de sleur en uit de zorgen. Even geen crisis, even niet dat verleden dat je met je meesleept en dat elke dag zwaarder lijkt te worden, even niet dat moeizame in je relaties. Maar je moet er wel je best voor doen. Met man en macht het alledaagse optuigen tot het ergens op lijkt. Gezelligheid creëren. Graven in je ziel tot je het godsvertrouwen terug vindt waar je als kind blind op voer. Tot je aan de kribbe staat, waar Lucas over verhaalt.
II De kerstmorgen is anders. Ze kent een vreugde die alle verstand te boven gaat. Je hoeft er je best niet voor te doen. Je hoeft voor haar de kelderdeur van je ziel niet dicht te doen waar zo veel schots en scheef ligt opgetast. Nee, het evangelie van de kerstmorgen wil daar spreken en troosten en bij je zijn, waar jij met de beste wil van de wereld geen kersttafereel meer van weet te maken. “Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond.”
Eerst maar iets over die mens. Dat ben jij. Alleen dan niet aangekleed en opgepoetst voor het kerstdiner. Niet de mens die er wel mag zijn en die de kunst verstaat zichzelf te presenteren. In de NBG vertaling van 1951 stond. “Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond.” Johannes gebruikte dat woord ‘vlees’ om de mens aan te duiden in zijn nietigheid: niet mooi, niet sterk, niet hoogstaand, niet gewild – die nietigheid; “de mens voor wie het mens zijn een probleem geworden is,” zei de theoloog Noordmans. Vandaag horen we dat dat niet meer jouw probleem is, maar dat van God. Nee, zo moet je het zelfs niet eens meer noemen. Jouw probleem is de plek waar God wil wonen. Tegen God hoef je niet te zeggen: “Let niet op de rommel!” God zegt: “Ik kom voor jou.”
In de Open Hof, opvanghuis voor dak- en thuislozen, kwam een vaste bezoeker, die gegrepen was door de geloofsbeleving van een evangelische gemeente. Hij zei tegen de vrijwilliger: “Ik moet veranderen!” Waarop die zei, zonder te weten waar hij het vandaan haalde: “Jij bent toch goed zoals je bent. Jij mag toch Jannes blijven.” Jannes omhelsde hem en zei: “Wat ben ik blij dat jij dat zegt!” Op zo’n moment is het kerst: “Het Woord is vlees geworden.”
Op de voorkant van de orde van dienst staat een vage afdruk van een schilderij van Jopie Huisman: een lappenpop op vodden op een houten vloer. In de verte doet het denken aan het kind in de kribbe. Jopie Huisman, handelaar in vodden en oud ijzer, schilderde oude schoenen, vodden en poppen. Hij vereenzelvigde zich met wat afgedankt was. Hij herkende zichzelf erin: de scheiding die hij niet kon verwerken, het gevoel van verlatenheid, van waardeloos zijn. Het waren voor hem zelfportretten. Eenmaal op doek gebeurde er iets mee. Dan brak een schoonheid door in wat afgedankt en geschonden was. Zijn werk is een gelijkenis van wat ons vandaag verkondigd wordt: “Het Woord is vlees geworden.” Gods liefde is gaan zitten in wat werd afgedankt. En dat gaat nooit meer over.
III Dat vlees, die mens, dat onbeholpene, daar kunnen we ons misschien wel wat bij voorstellen. Maar wat bedoelt Johannes met dat Woord? Waarom zegt hij niet gewoon dat God mens geworden is? Waarom zo filosofisch? Omdat God voor Johannes niet ‘gewoon’ god is. ‘Gewoon’ god, dat is de god van bladgoud die hij onbeweeglijk in tempels ziet staat. ‘Gewoon’ god, dat is de macht in het kwadraat, die mensen terugzien in de ordebewaarders en de wereldbeheersers. ‘Gewoon’ god is de god van ‘zo zit het’ en van je nederig voegen in je lot. Of van het o zo mooie waarmee een mens zich spiritueel vermaakt als het hem even te veel wordt.
Maar Johannes is een Jood, die niet gelooft in ‘gewoon’ god. Er is een spreken dat alles anders maakt. Dat spreken is het begin van alles. Zelfs de feiten die de mens maken tot een late toevalstreffer in een zwijgend en uitdijend heelal, gaan niet aan dat spreken vooraf. En ook niet de God die je zou willen denken achter dat spreken. Nee, alles wordt door Johannes gezet op dat spreken. Een bevrijdend spreken dat maakt dat een mens hoort, het hoofd optilt, opstaat uit de gevangenschap van feiten en zelf tot spreken komt. Een spreken dat een mens aanspreekbaar maakt op de nood van een ander. Als uw hersens kraken en u afhaakt bij dit soort logica, onthoud dan dat elke wetenschapper een moeder heeft gehad die zijn naam heeft gefluisterd, liedjes heeft gezongen, verhalen heeft verteld, tot hij kon opstaan uit zijn onmondigheid. En net als de schilderijen van Jopie Huisman, zijn de liedjes en de verhaaltjes van een moeder een gelijkenis van dat bevrijdend spreken waar de evangelist Johannes het over heeft.
Dat bevrijdend spreken is mens geworden en heeft onder ons gewoond. Wie zinnig over God wil spreken, hoeft niet meer het heelal af te speuren of hersenkrakers op te lossen. Zoek God onder de mensen. Zoek hem waar geen zinnig mens een God zou zoeken. Zoek hem in wie werd afgedankt. En die zijn rug recht en zijn hoofd optilt, omdat jij hem zoekt en hem aanspreekt met zijn naam. Zoek hem in de kelder van je eigen leven. Laat de deur ervan maar open staan. De kans is groot dat daar de kribbe staat. “Laten al Gods engelen hem eer bewijzen.” (Hebreeën 1: 6) Daar en hier en in de hemel.
In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen. |
|
|
|
|
|
|
Pagina 1 van 20 |
Copyright © 2009-2011 Nieuwe Kerk Groningen. Alle rechten voorbehouden.
|
|
|