Home Overwegingen bekijken Zondag 9 mei 2010 - ds. Evert Jan Veldman
Zondag 9 mei 2010 - ds. Evert Jan Veldman PDF Afdrukken E-mailadres
Geschreven door Ds Evert Jan Veldman   
zondag 09 mei 2010 17:44

Johannes 21: 1-14

I

Weet u wat een drempelbekentenissen zijn? Twee mensen hebben met elkaar gesproken. "Kom eens langs," had de een gezegd. En de ander was op de uitnodiging ingegaan. Het was goed geweest. Er was tijd en aandacht voor elkaar. Bij het afscheid op de drempel wordt er nog net even iets gezegd: een vraag, een wens, een opmerking - schijnbaar tussen neus en lippen door. Maar het is veel meer dan dat. Je hebt langere tijd bij elkaar gezeten en het was echt goed geweest. Maar nu op de drempel - de een met de hand aan de deur en de ander met de jas al aan - is er ineens dat woord dat raakt. Het is niet van tevoren bedacht en het komt er zo maar uit - het hoge woord dat dichterbij komt dan alle woorden die tijdens het bezoek werden gewisseld.

II

Het evangelie van deze zondag is als een drempelbekentenis aan ons. Met aandacht hebben we naar Johannes geluisterd. Alles is gezegd. Het evangelie is afgerond. "Geloof en leef in de naam van Jezus messias, zoon van God!" Punt. We nemen afscheid. En dan is er op de drempel dat verhaal op de grens van donker en licht. Op de grens ook van water en land: de verschijning bij het Meer van Tiberias.

Het is meer dan het zoveelste wonderverhaal. En véél meer dan een reportage van een verslaggever. Misschien mag je het vergelijken met een liefdesverklaring aan ons persoonlijk. Dit verhaal gaat ons aan. We komen er zelf in voor. Ook als we onze namen niet terug vinden in het rijtje van Petrus en Tomas, van Natanaël en die (twee) van Zebedeüs. Want er waren nog twee leerlingen bij. Hun namen worden niet genoemd. God weet dat wij het zijn. Met ons erbij is dat zeven - het getal van de volheid. Het verhaal wil niet zonder ons.

III

Wie het evangelie hoort als een feitenverslag doet zichzelf tekort. Dan blijft het aan de buitenkant - een vreemd en ver verhaal dat je je maar eigen moet zien te maken in het geloof. Van je lang zal ze leven lukt het dan niet om jezelf in het rijtje apostelen te zien.

Het evangelie speelt met de feiten. Petrus was een visser. En die (twee) van Zebedeüs ook. Was het allemaal niet begonnen aan de oever van het meer? "Jezus zei tegen hen: Kom, volg mij, ik zal van jullie vissers van mensen maken."(Marcus 1:17) Dat begin wordt aan het eind hernomen. En dus gaat het verhaal over een boot en een net, over het meer en de vissen die er in zwemmen. Niemand die zich er over zal verbazen dat Petrus tegen de anderen zegt: "Ik ga terug, - ik ga weer vissen!" Jezus is heen gegaan. Een tijdperk is afgesloten en vissen is immers zijn vak.

Maar er zit een andere laag in het verhaal, vol symboliek. In die laag stort God zijn hart uit. En je hoeft geen visser te zijn om dat te verstaan. Gods liefde zoekt jou op waar jij bent. Je hoeft er geen tijdgenoot van Petrus voor te zijn. Je hoeft er niet eens een gelovige voor te zijn. Jij bent jij en zo word jij in het hart van God getrokken. Daar zien wij elkaar van aangezicht tot aangezicht. Petrus is er niet meer dan wij. En wij zijn niet verder dan Petrus.

Gods liefde komt niet tot ons in de feiten, maar in het Woord – een lied, een appel, een verhaal. Het wil de wereld in. Het doet een beroep op ons: "Breng me daar!" Maar hoe vaak trekt de kerk haar deuren niet dicht en eigent ze zich dat Woord toe? Alsof het haar bezit is. Alsof ze bang is voor het spel van de liefde.

De symbooltaal van de bijbel is dus niet hetzelfde als kerklatijn. Ze is niet bestemd om tot geheimtaal van de kerk te worden. De taal van het verhaal roept verbeeldingskracht wakker. Ze doorbreekt grenzen. Ze ruimt hekken op. Met dezelfde kracht waarmee ze ons gezocht en gevonden heeft, bidt ze ons: "Breng me daar!". Tot aan de einden van de aarde - op de werkvloer, in de collegezaal, op de zolderkamer van een uitgeleefde woning, in het winkelcentrum. "Breng me daar!"

IV

Laten we beginnen bij de grote oogst. “Simon Petrus loopt het water in en sleept het net op land aan; het is vol met grote vissen: honderdrieënvijftig.” In een verhaal dat bijna mystiek te noemen is, valt zo'n getal wel op. Veertig of hondervierenveertig - twaalf keer twaalf -, dat zouden getallen zijn die we kunnen plaatsen. Zeventig of zeven maal zeventig ook. Maar honderdrieënvijftig? Alsof er iemand de kas zit op te maken!

Er is veel over dit getal gespeculeerd. Maar het meest voor de hand ligt de verklaring die Hiëronymus geeft in de 4e eeuw na Chr. Wetenschappers van de oudheid stelden dat er honderdrieënvijftig soorten vissen de wateren bevolken. Tegen de achtergrond van Jezus’ woord – “Ik zal van jullie vissers van mensen maken.” - is de betekenis klip en klaar. Het gaat in Gods liefdesverklaring om heel de aarde en om alle mensen.

Petrus sleept het net op land aan. Hij is de eerste onder de mensenvissers. De evangelist geeft hem die eer. Het net dat hij op het droge trekt is de jonge kerk. Je zou denken dat ze niet bestand is tegen zo'n grote oogst. Wat stelt ze nou helemaal voor? Een netwerk van kleine gemeenschappen in grote steden. Wat moet ze aan met de hartstocht van het evangelie, dat van geen grenzen weten wil? De kerk kan toch niet de hele wereld op haar nek nemen? Toch scheurt het net niet, zegt het verhaal.

Ouder dan het kruis is het symbool van de Ichthus (Vis) dat staat voor de kerk. Graffiti avant la lettre. Getekend op muren, gekrast in bomen als teken van hoop en herkenning. De letters vormden samen de belijdenis: “Jezus Christus, Zoon van God, Redder.” Het is ook de samenvatting die Johannes geeft aan het eind van zijn evangelie. Alle vissen in het net horen hem toe en zijn aangeraakt door zijn liefde. Die liefde heeft ze doen groeien, stuk voor stuk.

De symboliek van de kerk en haar boodschap ligt ingebed in het Joodse verhaal van schepping en bevrijding. In de natuur red je vissen niet door ze te vangen en op het droge te slepen. Maar in Thora en Evangelie ligt dat anders. Mensen worden als vissen opgediept. Bevrijd uit de chaos waarin een mens verdwijnt en geen poot meer heeft om op te staan. Dit verhaal op de grens van nacht en dag, van water en land verwijst naar het scheppingsverhaal waarin het licht tevoorschijn wordt geroepen en de wateren samenvloeien om ruimte te maken voor land. En dat allemaal omwille van de mens die rechtop moet kunnen gaan.

V

De verschijning van Jezus bij het Meer van Tiberias is daarop gericht. Hij verschijnt niet tot meerdere eer en glorie van zichzelf. Hij verschijnt om anderen aan het licht te laten komen. De leerlingen herkennen hem niet om wie hij is, maar om wat hij doet. Als mensen tot hun bestemming komen, dan wordt hij herkend. De hele nacht hebben de apostelen gevist en niets gevangen. Op het woord van Jezus gooien ze het net uit over een andere boeg. Dan pas, als ze het niet meer kunnen optrekken wegens een te veel aan vis, wordt hij herkend.

Er zat iets tragisch in het verhaal. "Ik ga weer terug, - ik ga weer vissen/' had Petrus gezegd. Ze hadden hun boot klaar gemaakt en waren uitgevaren. Maar hoezeer ze ook hun best deden, ze vingen niets. Omringd door het duister en omgeven door de diepte vingen ze niets. Voor een visser was het het juiste uur om aan het werk te gaan, maar voor vissers van mensen? Wat is een mens nou helemaal in een entourage van vóór de schepping. Hoe zou hij zich staande moeten houden?

Dan zegt Jezus over het water: "Kinderen, hebben jullie niet iets voor bij het eten?" Grote kerels worden aangesproken als kinderen. Hun kwetsbaarheid is gezien. Soms lijken we heel wat als wij ons beste beentje voor zetten, maar diep van binnen weten we wel beter. Hopeloos alleen kun je je voelen. En van alle gebakken lucht die je om je heen verspreidt, kun je uiteindelijk niet leven. Het is de toon van de vraag die ruimte maakt om de maskers te laten vallen en te erkennen: “Nee. We hebben een grote boot en we zijn grote kerels. En toch, nee, we hebben niets.” Leeg en naakt, dat is onze toestand. Zie de mens!

Die erkenning is het begin van alle verandering. Vertrouwen op de stem doet hen het net uitgooien over de andere boeg. En de oogst die dat oplevert is groter dan het net vol vissen. De stem vanaf de oever maakt het water minder diep - Petrus springt zomaar over boord. En de oever blijkt plotseling veel minder ver dan verwacht - tweehonderd el, krap honderd meter. Is er in het begin van het verhaal sprake van een serieuze boot, nu wordt er nog slechts over een bootje gesproken. Het kleine blijkt groot genoeg en het kwetsbare sterk genoeg om een hele wereld te kunnen winnen.

VI

Zullen wij het maar wagen met dit verhaal? In het geloof dat ons de liefde is verklaard. Laat het schip van onze kerk maar mooi een bootje zijn. Laat hier van tijd tot tijd een houtskoolvuurtje branden, waar mensen zo maar aan kunnen schuiven omdat er al op hen werd gewacht. Met een stukje brood erbij en met een visje, zoals in het verhaal. En met alles wat mensen zelf meebrengen aan gaven en kwaliteiten. Is dat niet wat wij beogen met het Festival van de Geest dat over twee weken hier begint? Wie weet stoten we elkaar nog eens aan en zeggen dan: "Kijk, het is de Heer!".

Amen

 


Copyright © 2009-2011 Nieuwe Kerk Groningen. Alle rechten voorbehouden.