I Koningen 17: 17 – 24
Lucas 7: 11 – 17
I
Het wonder is een maatje te groot voor ons. Soms weet je met gelovig kunst- en vliegwerk het evangelie nog in jouw gareel te krijgen. We proberen meestal niet anders. De dominee groeit als hij gemeenteleden hoort zeggen: “Hier kunnen we wat mee.” Nou, met deze verhalen kunnen we niets. Laat dat nou het punt zijn waar het evangelie ons aangrijpt. Het vraagt niet of wij er iets mee kunnen. Het kan iets met ons. En meer dan iets. Alle horizonnen legt het evangelie open.
Het evangelie doet geen enkele moeite ons te overtuigen. Geen dikke taal. Geen roffelende trom. Het evangelie bekommert zich om ons met een grote rust. Het verhaal is zo sober neergeschreven. Het is een opsomming van bewegingen – naar Naïn, van Naïn, van handelingen – uitdragen, aanraken, rechtop gaan zitten, en van woorden kort van stof – “Huil niet”, “Sta op”, “God heeft zijn volk aangezien”.
Je kunt niet zeggen dat het verhaal uit het leven gegrepen is. Ja, het gebeurt: de dood van een kind. En het is er: het verdriet dat in zich geen maat kent. Toch is het niet alleen de jongen die de dood te boven komt, die het verhaal vreemd aan het leven maakt. Altijd weer onttrekt het verlies van een kind zich aan alles wat leven mag heten. Hoe vaak de ramp zich ook voltrekt, van binnenuit hoort de dood van een kind niet bij het leven. Dat maakt het zo onverdraaglijk. Je kunt de wereld aan goede mensen om je heen hebben, maar die wereld kan het verlies niet dragen en het verdriet van een moeder in banen leiden zodat het weg kan – kon het maar weg.. De dood van een kind maakt eenzaam, snijdt een moeder, een vader, los van het leven en in zekere zin ook van elkaar. “En niet het snijden doet zo’n pijn, maar het afgesneden zijn.”, dichtte Vasalis.
Misschien doet de sobere opsomming van bewegingen, handelingen en woorden in het evangelie van vanmorgen nog het meest recht aan de werkelijkheid die door het verhaal wordt opgeroepen. Het is een soberheid die in de buurt komt van de kaalslag, die door de dood van een kind wordt aangericht. De opstanding van de jongen, de ontregeling van de dood, voegt zich in die soberheid. In één regel wordt het neergezet. Het evangelie van de opstanding is niet geschikt om te zwaar aan te zetten en te behangen met tierelantijnen. Het hoort niet bij de trukendoos van de gelovige die goedbedoeld vanaf de kant zijn troost aanbiedt. Ergens binnenin het verhaal van dood en lijden vindt het evangelie houvast en schept het ruimte. Er wordt een grens gesteld aan het afgesneden zijn.
Over zoiets kun je toch niet anders dan met de grootste terughoudendheid spreken? Eigenlijk kun je dit verhaal alleen bekloppen en wachten tot het spreken gaat. Om het te horen en nog eens te horen. Want het is geen verhaal uit het leven gegrepen.
II
En als het dat niet is, wat kan het dan nog anders zijn dan een scheppingsverhaal? Gebouwd uit woorden die niet beschrijven en herhalen wat we eigenlijk al wisten, maar die iets nieuws in zich dragen. Noem het toekomst, noem het leven. Woorden die meer zijn dan woorden. Woorden die iets bewerkstelligen, die iets tevoorschijn roepen uit het niets. “God sprak: Licht worde! Licht werd. God zag het licht en dat het goed is.” (Gen. 1:3) Dit zijn woorden die tot je komen en heel het leven in nieuw perspectief zetten. En ook al is het mensentaal, het is niet uit het leven gegrepen.
Een scheppingsverhaal dus en niet een registratie van wat er zich heeft afgespeeld. Natuurlijk kun je Naïn op de kaart aanwijzen. Acht uur lopen vanaf Kafarnaüm en twee uur vanaf Nazareth. Een onooglijk dorp tegen een van de hellingen van de Tabor. Vaste grond voor ieder mens die er aan hecht het verhaal te verankeren in de feiten: Toen en daar is het gebeurd. Maar laat dat alsjeblieft niet meer zijn dan een opstapje en een hulplijntje. Toen en daar kunnen het evangelie niet bevatten. Hier en nu wil het opnieuw gehoord worden en zijn werk doen.
Met feiten ben je, voor je het weet, verder van huis dan voor de gelovige goed is – en dan bedoel ik: Gods huis, dat is Gods toekomst, Gods nieuwe aarde. Want belangrijker dan dat Naïn op de kaart is aan te wijzen, is dat Naïn in het evangelie terug te vinden is. En wel herschapen van een dorp in een stad, van een plekje toen en daar tot een voorstad van het nieuw Jeruzalem, een eeuwig thuis voor mensen van alle tijden en plaatsen. De Rabbijnen leiden de naam van de stad af van het woord dat het best vertaald kan worden met ‘de Lieflijke’. Een nieuwe naam is het, niet uit het leven gegrepen en uit de feitelijke omstandigheden af te leiden, maar een naam die is uitgeroepen over het onooglijke: “God sprak: Lieflijke worde! Lieflijke werd.”
Het evangelie speelt met de feiten. De blokken worden herschikt en omgevormd tot een bewoonbaar huis, het huis van de wereld. Het begint allemaal in het hart van de Eeuwige en het beroert de werkelijkheid waar die zichzelf niet meer kan redden, bij de weduwe en haar gestorven zoon. “En niet het snijden doet zo’n pijn, maar het afgesneden zijn.” Zo is het evangelie geen opsomming van feiten, noch een reportage van onze gevoelens en gedachten daarbij, maar een compositie uit het hart van God geboren, geschreven in mensentaal. Niet de taal van formules en van oneliners, maar de taal van de verwondering.
III
Kijk naar de plaats die dit verhaal inneemt in het evangelie en ook naar de plaats van het evangelie zelf, hoe het voortbouwt op Thora en Profeten. “En het geschiedde direct daarna..,” zo begon het. Waarna? Na de genezing van de slaaf van de Romeinse hoofdman over honderd. Een verhaal over de vreemdeling dus, gevolgd door dit verhaal over de weduwe en de wees. Hier voegt het evangelie zich naar de Thora in haar zorg om de vreemdeling, de wees en de weduwe en haar gerichtheid op een nieuwe aarde. Dit is zijn horizon, een paar verzen later geschetst: “Blinden worden ziende, lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd en doven horen, doden worden opgewekt, armen ontvangen het evangelie; en zalig is wie aan mij geen aanstoot neemt.” (Lucas 7: 22)
Nog een lijn, naar het boek van de Profeten, wordt er voor ons gelegd: Het evangelie van vanmorgen toont grote gelijkenis met het verhaal van Elia, de weduwe van Sarefat en haar gestorven zoon die door de profeet tot leven wordt gewekt. De zelfde woorden klinken daar en hier: “En hij gaf hem terug aan zijn moeder.” (Lucas 7:15 / 1 Koningen 17:23). Thora, Profeten en Evangelie dansen samen Gods choreografie en nodigen ons uit de dansvloer te betreden.
Kun je niet dansen? Maakt niet uit. Het evangelie zoekt geen goede dansers, maar mensen die door de feiten zijn lamgelegd. “Arm en beschaamd zo arm te zijn,” dichtte Vasalis in het al eerder aangehaalde gedicht. Dat brengt me bij het woord waarmee Lucas de menigte aanduidt, zowel het volk in het spoor van de baar als het volk in het spoor van Jezus. Het is geen neutraal woord. Het duidt het landvolk aan dat door de harde maatschappelijke verhoudingen hun thuis, hun trots, hun naam is kwijtgeraakt. Op dood spoor geraakt, zoals de stoet op het karrenpad van Naïn naar de begraafplaats. De weduwe draagt met haar zoon ook haar bestaansrecht ten grave. Geen bijstandsuitkering. Geen tijd en ruimte om te rouwen na vandaag.
IV
In het verhaal wordt Jezus “kurios’’ – Heer – genoemd. Dat tilt het nog eens uit de voegen van onze feiten. Niet Jezus van Nazareth, onderweg naar Naïn, maar de Heer, ten diepste bewogen over de weduwe. Dit is geloofstaal. “kurios’’, zo wordt God genoemd in de Griekse vertaling van Thora en Profeten waarmee het Joodse volk in de verstrooiing bij zijn bronnen probeerde te blijven. Voor de evangelist is God zelf in het geding bij de confrontatie tussen de zwarte en de witte stoet. En het kan geen toeval zijn dat hij de titel “kurios’’ voor het eerst gebruikt als deze de weduwe ziet en ten diepste over haar bewogen raakt.
Hier kijken we als het ware in het hart van God, is hij – zoals de geloofsbelijdenis van Nicea zegt: “één van wezen met de Vader, en door wie alles is geworden.” In de titel “kurios’’ klinken geconcentreerd alle verhalen van Schepping en Bevrijding mee op het karrenspoor tussen Naïn en de begraafplaats. Let wel, hier is de kerk al aan het woord. Dit is haar theologie: gedurfd, gewaagd en niet van gevaar ontbloot. Want als een mensenkind zo dicht op God komt dat één naam hen beide siert, dan is een afgod zomaar geboren. Hoe vaak is Jezus niet op een sokkeltje gezet? Dan stolt de verwondering sluipend bij wie niet alert is en stokt het verlangen naar wat nog komen moet, Gods nieuwe aarde. Het volk in het verhaal blijft dan ook voorzichtiger als ze God verheerlijken en het zo zeggen: “Een groot profeet is tussen ons opgestaan.” En: “God heeft zijn volk aangezien.” (Lucas 7: 16)
En toch, wat is het mooi, om die sprong te maken en heel je geloof op te hangen aan de menselijkheid en intimiteit van Jezus, die bewogen is over deze moeder, die haar ziet, die dichterbij komt, de baar aanraakt en daarmee zichzelf onrein maakt naar het woord van de Thora. En om dan niet terug te deinzen als de hemel naar de aarde getrokken wordt als de “kurios’’ zegt: “Sta op.” – waarop die jongen overeind gaat zitten. Om dat machtswoord voor lief te nemen dat niet van bovenaf klinkt van de troon, maar van binnenuit met de hand aan de baar en het oog op de moeder. In dat gemis, in die eenzaamheid, in de leegte waarin geen enkel woord van buiten hout snijdt.
Hoezeer van binnenuit, blijkt wel als de evangelist de dode jongen noemt “eniggeboren zoon van zijn moeder” en ons misschien de parallel opvalt met wat de Geloofsbelijdenis van Nicea over Jezus zegt: “eniggeboren zoon van God”. Evengoed als de titel “kurios’’ hem dicht op God brengt, brengt dit hem dicht op het gestorven kind. Niet ongeschonden zal hij Heer zijn. Hij gaat de weg van de minsten der mensen. En God? Misschien mag je zeggen dat Hij de trekken aanneemt van een moeder die niet van wijken weten kan.
In de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest
Amen
|