|
Prediker 2: 1 – 11
Lucas 12: 13 – 21
I
Een moralistisch praatje over de zonde van de hebzucht, daar hebben we het evangelie niet voor nodig. Maar het zou er vanmorgen zo maar op uit kunnen draaien.
Iemand uit de menigte vraagt aan Jezus: “Leermeester, zeg tot mijn broer dat hij moet zorgen dat hij het erfdeel met mij deelt.” (vers 13) Blijkbaar is die broer in gebreke gebleven. Volgens de leefregels van Mozes heeft die als oudste recht op een dubbel deel, maar niet op de hele erfenis. Dat derde deel biedt voor de jongste toekomstperspectief. Hij wacht op erkenning. En hij staat in zijn recht.
Een erfenis verdelen vraagt levenskunst. Je hoeft geen graaier of een “Tokkie” te zijn om elkaar te bezeren. Pijn van vroeger en dierbare herinneringen plakken aan geld en goed. Elkaar zien staan, daar komt het dan op aan. Er is weinig voor nodig om schaafwonden op te lopen aan je ziel.
Het antwoord van Jezus is weinig pastoraal. “Ik ben niet de rijdende rechter,” zegt hij tegen de man. Om vervolgens te waarschuwen voor veelhebberij en dat het leven geen bezit is. Waarna hij een verhaal vertelt over een rijke man die alleen maar stapelen kan en vergeet te leven.
II
De vragensteller verdwijnt weer in de menigte. Wie ziet hem nog staan? Met een ogenschijnlijk moralistisch verhaaltje wordt hij terug geduwd en weer onzichtbaar gemaakt. “Zoek het zelf maar uit.” Dat is kenmerkend voor de menigte in de evangeliën. Wat hen bindt is dat ze het zelf maar uit moeten zoeken. Je hebt groepen die weten waarvoor ze staan: een ideaal van samen delen, een gezamenlijk belang dat je sterk doet staan, een volk van broers en zussen die elkaar zien staan. Maar de menigte is anders. Daar klonteren samen de mensen zonder gezicht. Daar is het ieder voor zich. Niemand die jou ziet staan.
Kent u ze? Hebt u er wel eens tussen gestaan? Hebt u wel eens mee bewogen, God mag weten waar naar toe? Terug gebracht tot een die het zelf maar uit moet zoeken. Wij kunnen hier natuurlijk het spelletje spelen en driftig knikken als Jezus waarschuwt tegen de veelhebberij om zo de zonde buiten de kerkdeur te houden, daar waar die hoort – in de wereld. (“Zeg het ze maar eens goed!”) We kunnen hier ook met gebogen hoofd de zondaar spelen (al gaat dat spelletje ons minder goed af) en Gods vergeving binnen de kerkdeur houden, daar waar die hoort – onder de gelovigen. Maar beide gemeenschapsspelletjes helpen ons niet als we straks weer buiten staan, alleen en ieder voor zich. Daar waar andere regels gelden en ik steeds vaker verloren loop. Ja, we hebben het nog wel over een samen-leving. Maar hoe veel verschilt die nog van de menigte in de evangeliën, de samenklontering van “Zoek het zelf maar uit.”?
Deze zomer las ik het dagboek van Willem Barnard (“Een zon diep in de nacht.”), de dichter en voormalig dominee. Ik werd getuige van zijn geworstel met deze wereld, met de mensen, met zijn geloof en met zichzelf. Op 23 oktober 1988 schreef hij in een kerk: “Tot U bid ik / die gekomen zijt / en komen zult, / laat mij niet los / in de verschrikkelijke leegte / van het ik / en het niets meer dan ik / en dan het niet meer ik. / leid mij binnen / in een wij, / in een weide / aan zeer stille wateren.”
III
Zou dit gedicht de verbinding kunnen zijn tussen de mens in de menigte die wacht op het erfdeel dat hem toekomt, de rijke dwaas uit het verhaal, en u als hoorder van het evangelie? Het ik speelt in alle drie gevallen een doorslaggevende rol.
Willem Barnard zou zo maar tussen ons in kunnen zitten als hoorder tussen de hoorders. Een aangevochten “ik”, net als dat van u. Niet het voor zondag opgepoetste, maar dat alledaagse “ik”. Je neemt de wereld met je mee, die jou bevrijd heeft van alles wat zus hoorde en zo moest, maar die ondertussen ook de plekjes weg nam waar jij je veilig voelde en iemand was. Wat kan het leven leeg zijn en doelloos. Zeker, leuk ook. Maar leuk is maar voor even. Het blijft niet. Ach, wat is nou blijvend aan een mens in een immense kosmos? Zelfs het pensioen dat je spaarde voor later en dat je een beetje doet lijken op dat stuk onverstand uit het verhaal van Jezus, blijkt geen garantie voor een onbezorgde oude dag. Wie ziet jou staan? Wie heeft er weet van jou? “God. Zeker weten,” zeiden we ooit. Maar ook dat zeker weten is er wel zo’n beetje af.
De mens in de menigte die wacht op het erfdeel dat hem toekomt, hoopt iemand te worden die er zijn mag. Maar zonder een rijdende rechter (“Dit is mijn uitspraak en daarmee zult u het moeten doen.”), zal zijn broer hem niet zien staan. Van hogerhand zal die tot de orde geroepen moeten worden. Dan pas zal hij kunnen zeggen: “Zie mij eens. Ik heb wat. Dus ik ben ook wat.” Want zie maar eens iemand te worden zonder materiële randvoorwaarden
En dan nog het stuk onverstand uit het verhaal van Jezus. Hij zegt nog vaker “ik” dan Willem Barnard in zijn gedicht. En ook over het “mijn” struikel je bij hem. Qua eenzaamheid doet hij niet onder voor die andere twee. Er hangt iets tragisch om hem heen. Zelfs overleggen doet hij met zichzelf, als hij beleid maakt om zijn rijkdom veilig te stellen. Dat hij een stuk onverstand genoemd wordt, mag ons te denken geven. Want het woordje “mijn” en het beleid maken op groei, gecombineerd met het Zwitserlevensgevoel, zijn beter herkenbaar voor ons dan de tijds- en cultuurkloof, die ons van hem scheiden, zouden doen vermoeden. En ik vraag me af hoe onverstandig wij hem vinden. Hij staat ons zeer na. Wij weten wel hoe kwetsbaar we zijn en dat ze vannacht mijn ziel van me af kunnen eisen. Maar is dat een reden om niet te potten? We hebben geen andere manier om onze angsten te bezweren. Wie zal er voor mij zorgen als ik alleen kom te staan en niet meer voor mezelf kan zorgen?
Eigenlijk vormen het gebed van Willem Barnard (“Laat mij niet los / in de verschrikkelijke leegte / van het ik.”) en het beleid van de rijke (“Dit ga ik doen: ik breek mijn schuren af en bouw grotere.”) twee kanten van de moderne mens. Tussen die twee polen bewegen wij en zoeken wij ons een weg. Maar ze gaan niet samen: Je “ik” veilig stellen door te bouwen op bezit en te geloven in groei. En bidden om binnen geleid te worden in een wij, in gelovige overgave aan een God die maar geen echte god wil worden. Die zich toont in Jezus. Die zich geroepen weet in dat gebed van Barnard (“Tot U bid ik / die gekomen zijt / en komen zult, / laat mij niet los / in de verschrikkelijke leegte / van het ik / en het niets meer dan ik / en dan het niet meer ik. / leid mij binnen / in een wij, / in een weide / aan zeer stille wateren.” )
IV
Gemeente, er is een wij dat we niet hoeven te zoeken in een geïdealiseerd verleden, waarin het weefsel van sociale verbanden nog heel was. Er is een wij dat niet gebouwd is op een superieure cultuur en zich niet hoeft af te zetten tegen een zij dat geminacht dient te worden. Er is een wij dat ieder ik ontslaat van de plicht zichzelf te bewijzen; een wij waarin je niet wordt afgemeten aan wat je hebt, maar aan wie je bent – kostbaar kind van God.
Er is een wij in de kerk, dat niet krampachtig gespeeld hoeft te worden. Als een soort laatste schijnbeweging om overeind te houden wat we hadden. Want we hadden niks (al dachten we van wel). En we hebben niks. Maar we zijn wat. En niet zomaar wat. Wij zijn het Lichaam van Christus, die gekomen is en komen zal. De God, tot wie Barnard zich richtte toen hij zich van God en mens verlaten voelde. Een God die maar geen God wil worden, omdat zijn hart naar mensen uit gaat: Christus, van wie Paulus zegt dat hij om jou arm is geworden terwijl hij rijk was, opdat jij door zijn armoede rijk zou worden (2 Kor. 8:9).
Geen wonder dat Jezus de rijke man een stuk onverstand noemt. Want Jezus is er op uit om alle goddelijkheid af te leggen om maar bij de onrust van een mens als Barnard te kunnen komen (bij u dus..) en hem thuis te brengen “in een wij, / in een weide / aan zeer stille wateren.” Terwijl de rijke man er op uit is om zijn rijkdom veilig te stellen en niemand anders nodig te hebben buiten zichzelf. Het zijn twee tegenpolen. Twee polen die samenkomen in een gemeente die midden in de wereld wil staan
Wat rijk zijn in God betekent, moeten we misschien nog leren. Opnieuw. En wie er nu het stuk onverstand is, Jezus of die rijke uit het verhaal, daarover heeft de geschiedenis nog niet beslist. De rijke man is (zoals ze dat hier zeggen) uit de tijd gekomen. Dat kun je zo van Christus niet zeggen. Jawel, hij is gestorven aan deze wereld. Maar zo lang er mensen zijn als Barnard, die bidden dat hij komen zal, zo lang zal zijn naam in stilte de ronde doen en raakt hij niet uit de tijd. Laat die naam op onze lippen zijn. Laat hij ons erfdeel zijn.
In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen
|