Home Overwegingen bekijken Zondag 15 augustus 2010 - ds. Evert Jan Veldman
Zondag 15 augustus 2010 - ds. Evert Jan Veldman PDF Afdrukken E-mailadres
Geschreven door Ds Evert Jan Veldman   
zondag 15 augustus 2010 10:43

Romeinen 6: 3 – 14

I

Er is een tijd geweest dat de kerk zich opstelde als poortwachter van de hemel. Ook al was ze niet de baas van de hemel, ze had wel een machtige positie. Je komt er niet zo maar binnen. Er zijn regels waaraan je je hebt te houden. Er zijn waarheden die je moet beamen. En de kerk bewaakte de regels en had de waarheid in pacht. Voldeed je aan de vereisten, dan werd je toegelaten als belijdend lid en was je gerechtigd om je kind te laten dopen, zoals het behoorde. Opdat ook jouw kind – met de woorden uit de oude doopliturgie – “eenmaal dit leven getroost verlaten en voor de rechterstoel van Christus zonder verschrikken verschijnen moge.”

Vandaag weet de poortwachter zich geen raad. Hij is lang niet zo indrukwekkend als hij ooit was. Op allerlei manieren willen mensen naar binnen. De kerk is al lang niet meer de enige die verstand heeft van de hemel. De “gene zijde”, zoals het zo fraai heet, kent vele ingangen – lees de glossy “Happinez”. En iedereen loopt tegenwoordig overal maar in en uit. Kerkmensen shoppen ook elders. En de kerk krijgt mensen over de vloer die van toeten nog blazen weten en absoluut niet onder de indruk zijn van haar poortwachtersrol. “Ik vond het wel mooi. Het deed me wat,” zei een jongeman tegen mij, die bij de doop was van het kind van zijn boezemvriend. En in een adem erachteraan: “Kunnen wij ons zoontje hier ook laten dopen?” Daar sta je dan, als poortwachter die geen poortwachter meer wil en kan zijn, maar die ongelukkig wordt bij de gedachte dat de doop verwordt tot het zoveelste leuke ritueel dat mensen een goed gevoel geeft.

Met een zekere narrigheid hoor je in de kerk mensen zeggen: “Ze laten hun kind dopen en daarna zie je ze nooit meer terug.” Daar hebben ze een punt. Maar zelden wordt er in de kerk werk van gemaakt. En dan bedoel ik niet de verbale aanmaning en de verkapte dreiging met de hemelse deurwaarder. Dan bedoel ik het gesprek; het opzoeken van de ander in haar hectische leven en in zijn bedreigd bestaan. Delen hoe het gaat (Want de doop van het kind heeft je aan elkaar verbonden). Horen wat die ander gelooft. Zeggen wat jij niet meer gelooft. Hoop en verwarring herkennen bij elkaar. Te vaak is de opmerking - “Je ziet ze nooit meer terug” een verwijt aan ‘ze’ en het sluiten van de oude gelederen rond het ‘we’ van de eigen kerk.

II

Maar het zou wel eens kunnen zijn dat we de betekenis van de doop zelf niet meer begrijpen, als we ons als kerk terug trekken op eigen erf. Er zit sleet op woorden als zonde en genade, zoals er sleet zit op het pak van de poortwachter. Misschien moeten we wel naar buiten (Daar zijn we natuurlijk al lang, want de kerk is ook voor haar kernleden een plek om te zijn en al lang niet meer de plek), om de taal van Paulus opnieuw te leren verstaan. Er kleeft te veel macht en zeker weten aan woorden als zonde en genade. Het is de taal van de incrowd, die op zondag speelt dat er niets veranderd is. Maar daar eigenlijk ook niet meer in gelooft. Want we weten wel dat we veranderd zijn. Maar dat onder ogen durven zien, is nog wat anders. En precies dat doe je, als je naar buiten treedt en het gesprek aan gaat met die ander, die jou ook helpt om in de spiegel te kijken.

Maar stop dan wel woorden als zonde en genade, sterven en opstaan, in je rugzakje. Ontdaan van de macht en het zeker weten dat er ooit aan kleefde. Keer de woorden om. Laat ze nieuw spreken. Allereerst voor jezelf. Want denk niet dat de kerk het redt met onkritisch geneuzel over de liefde. Daar komen de mensen niet meer op af. Uitgeklede liefde is overal te koop. En dat is ook niet waarom mensen naar de kerk komen om hun kind te laten dopen. Daarachter zit het vermoeden dat er een grond is onder ons bestaan, een laag dieper dan de bodem die we zelf weten aan te brengen. De kerk heeft woorden in huis om dat vermoeden om te vormen tot een weten dat jij gekend bent. Niet het zeker weten van de poortwachter, maar dat van het nieuwe leven in Christus.

III

De tijd ontbreekt om dat vandaag in kort bestek uit te diepen. Maar we hebben ook alle tijd. En we hebben elkaar, in de meest ruime zin van het woord. Vandaag is ons opnieuw eeuwig leven aangezegd. We waren getuige van de doop van twee kinderen. “In Christus Jezus,” zegt Paulus. Een term die ons vreemd is voor een boodschap die ons vreemd is: Heel de wereld past in hem. Hij is niet het eigendom van de kerk en niet het toegangsbewijs van gelovigen voor een leven na dit leven. Het is andersom: Alles heeft hij tot zich getrokken omdat hij de ademnood van de wereld tot de zijne heeft gemaakt. Hij heeft het allemaal gedragen. Hij is er onder bezweken.

Zonde is onze ademnood. Ademnood die kerkmensen verbindt met jan en alleman, met mensen die zich op eigen kracht niet weten te handhaven en met mensen die doen alsof ze het wel kunnen – omdat er niets anders op zit, of omdat het hoort, of omdat ze het geld er voor hebben. Dat alles heeft Christus tot het zijne gemaakt. En zo is hij een nieuwe werkelijkheid geworden, waarin je wonen kunt – in wie je wonen kunt.

Dood gaan doe je niet aan het eind van je leven. Dood ga je vandaag. Je sterft aan de schuld die je met je meedraagt voor de scheve verhoudingen in de wereld; voor dat waar je niet om gevraagd hebt en waar je desondanks aan meedoet. Je sterft aan je kleine zorgen die o zo groot kunnen zijn; aan de missers die je gemaakt hebt en waarvan de gevolgen zich zo wreed breed hebben gemaakt. Maar je bent met Christus gestorven.

Vandaag word je er opnieuw aan herinnerd: Je bent met hem opgestaan in een nieuw leven. Dat is een leven dat niet ophoudt als je een keer dood gaat, zoals iedereen een keer dood gaat. De zon die vandaag over u opgaat, gaat nooit weer onder.

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest

Amen

 


Copyright © 2009-2011 Nieuwe Kerk Groningen. Alle rechten voorbehouden.