|
Deuteronomium 24: 17 – 22
Lucas 14: 1 . 7 – 14
I
Hoe blij wordt u van het gelijkenisverhaal van de bruiloft waarop u bent genodigd en het juiste plekje moet zoeken aan tafel? Misschien wel net zo blij als ik word van recepties. Nu zal ik u niet verder vermoeien met mijn remmingen. Laten we het er op houden dat ik er niet zo goed in ben. Mensen die opzichtig de aandacht van de ander proberen vast te houden met lichaamstaal en boeiend gebabbel. Mensen die met een half oor luisteren en met hun oog langs de ander heen kijken, spiedend naar nog interessanter gezelschap. Het is een gezelschapsspel waarbij het er om gaat zo hoog mogelijk in de boom te komen. Daar lijkt het in het verhaal van Jezus ook om te gaan: achteraan beginnen en zo hoog mogelijk zien op te klimmen.
Een receptie is meer voor het oog dan voor het hart. Daar ligt misschien ook wel de verbinding met het evangelie van deze zondag. Ze gaan hem in het oog houden, staat er in vers 1. De genodigden voor de maaltijd in het huis van een Schriftgeleerdenbobo houden Jezus in de gaten. Ze beloeren hem. Ze belagen hem met hun ogen. Want dat is wat er staat. Het is iets anders dan een oogje in het zeil houden.
En het lijkt er op dat het verhaal van Jezus door die sfeer besmet raakt. Het gaat dan wel over een bruiloft, maar echt feestelijk wil het toch niet worden. Er lijkt iets berekenends in het verhaal te zitten. Die laatste plaats die zo wordt aangeprezen is niet meer dan de springplank om hogerop te komen. Je neemt hem in, je zegt ‘Na u’, maar het is een schijnbeweging. Wie wil er nou echt die laatste plaats? Voor het oog van allen naar voren gehaald worden en ‘vriend’ genoemd worden, dat is waar het om draait. Ja, dat is ook weer zo iets. De bruidegom heeft veel weg van zo’n bobo, bij wie Jezus deze sabbat te gast is. En zoals de spreekwoordelijke sabbatsvree daar het onderspit delft in een soort koude oorlog, zo verdwijnt in het verhaal het feest van de liefde achter het krampachtig spel van de ego’s.
Echt populair is dit verhaal in de kerk niet. Het wil maar niet lukken om met een opgeruimd gemoed en op feestelijke wijze die laatste plaats in te nemen. Je ziet de mensen denken: “Ja, ja..” Het feestje is al lang verpest door hoe het hoort en moet van God. Het verhaal is een dankbare insteek voor de kritiek van buiten dat het geloof vol zit met dubbele bodems. “Houd ze in de gaten, die gelovigen!” En zeg nou zelf, hoe gezond is het voor een mens om zich te vernederen? Een hele generatie vrouwen in de kerk is opgegroeid met de opdracht de minste te leren zijn. En ik ken er weinig die er echt gelukkig van zijn geworden. Tegen die achtergrond heeft het opzichtig spel om jezelf in de kijker te spelen iets bevrijdends.
II
De critici van het geloof krijgen vandaag gelijk. Want ook de gelijkenissen van Jezus hebben een dubbele bodem. “Houd hem in de gaten!” (Wat de genodigden tijdens die maaltijd bij de bobo dan ook doen..) Zijn gelijkenissen hebben nooit één heldere boodschap. Hij speelt erin met alledaagse beelden en vergelijkt zo de toekomst van God met het heden van de mensen. Met de zaklantaarn van het alledaagse schijnt hij op de toekomst van God en soms komt er dan een soort hemelse knipoog terug waardoor alles in nieuw licht wordt gezien. Het is een spel waarin God zich niet laat vangen en het alledaagse een glans van eeuwigheid ontvangt.
Die bruiloftsmaaltijd wordt door de hoorders direct gekoppeld aan de maaltijd die ze aan het nuttigen zijn bij de bobo thuis. Zich inleven in het verhaal is dus geen probleem. Ze weten ook dat die bruiloftsmaaltijd nog voor iets anders staat. Het is het grote feestmaal waar ze naar uitkijken en waarvan God zelf de gastheer zal zijn. Zelf doen ze er alles aan om die dag dichterbij te brengen. Laat daar geen misverstand over bestaan. Het zijn modelgelovigen. Ze bewaken de heilige rust van de Sabbat, die de waan van alledag verstoort. De Sabbat, die de tijd open houdt voor God. Ze doen wat ze kunnen, de schriftgeleerde Bobo voorop. En de gasten schuiven zo dicht mogelijk bij hem aan.
Maar het is net alsof ze zichzelf in het licht zitten. Ze weten veel. Ze doen er alles aan. Ze waken dag en nacht bij Gods genadegaven. Maar het krijgt iets krampachtigs. Het schiet door in controle. En het feest van God waar ze zo naar uitkijken, lijkt verder weg dan ooit. Wie zichzelf zo in het licht zit, gaat zijn eigen licht opsteken: God is zus en God is zo. Hij vindt dit, want zo staat het geschreven. Zo worden zij tot bobo’s van een God die geen geheimen meer kent, maar die ook niet meer in staat is jouw ziel te laten tintelen en naar jou te knipogen. Als er dan zo iemand bij jou binnenkomt als Jezus, die helemaal open staat naar het licht en nog spelen kan met de regels, dan ga je naar hem loeren met de ogen van jouw zelfgemaakte strenge God.
De bruidegom, de gastheer, in het gelijkenisverhaal van Jezus lijkt ook wel wat op een bobo. Zo wordt God in het verhaal herkenbaar voor de genodigden. Hij is de Allerhoogste. En er zijn op het grote feest voorname gasten, die God hoog hebben gehouden in de tijd en minder voorname gasten, die bij de gratie Gods ook nog naar binnen mochten. De ijveraars voor God zullen zich in kunnen leven in de man die met het schaamrood op de kaken zijn voorname plaats moet afstaan. Want God daar boven is streng. Dat weten ze.
III Met de zaklamp van het alledaagse tast het gelijkenisverhaal naar God en zijn toekomst. Maar meer dan tasten wordt het nooit. Het lijkt er op, maar het is het niet. God laat zich niet vangen in onze beelden. Ja, hij is de Allerhoogste. Maar dan toch anders dan wij denken. En: Ja, zijn toekomst zal een feest zijn. Maar dan toch anders dan het meest geslaagde feest dat wij ooit organiseerden.
God, laat ons iets zien van dat andere in dit gelijkenisverhaal. Want dat was toch de grap? Dat het speuren met de zaklamp van het alledaagse soms zomaar beantwoord wordt met een hemelse knipoog die alles in een nieuw licht zet?
In het gelijkenisverhaal is degene die nodigt niet iemand die zich al gevestigd heeft. Hij is er niet, hij komt, zegt het verhaal tot twee keer toe. Zoek hem dus niet in het verlengde van de Schriftgeleerdenbobo die met zijn inzet aanzien heeft veroverd en bij wie het goed is om in de buurt te zijn en een eer om bij hem aan tafel te zitten. In het verhaal ben jíj er eerst. Jij bent genodigd op het grote feest. Je weet niet waarom. Maar je kunt niet gemist worden. Je hoeft je niet te bewijzen door een voorname plaats in te nemen. Je was al voornaam. Eerst jij, dan hij – dat is de onnavolgbare volgorde van God. Je bent er bij, samen met al die anderen. Het is feest! Het is feest omdat jij er bent en omdat hij komt die ons denken, doen en vrezen te buiten gaat.
En ga dan, als je naar het feest gaat, aanliggen op de laatste plaats. Niet als kunstje om hogerop te komen. Maar als plek waar God verschijnen zal. Want elke keer als God verschijnt, is dat de plek waar hij onze werkelijkheid binnenkomt. Weet je nog? Je was slaaf in het Angstland en Ik kocht je vrij. Dat was de eerste lezing. Houd ze in het oog, de zwervers-te-gast, de wezen en de weduwen. En dan is er dat mensenkind dat ons dit verhaal vertelde, geboren onderweg, minste van de mensen, God die komen zou. Steeds weer op de laatste plaats, breekt God onze wereld open. Dat is de hemelse knipoog die alles in een ander licht zet en die de kleinen hoog verheft. Met argusogen kijken wij het aan. We loeren op hem. En hij maar komen, en hij maar wachten tot wij door hebben dat wij genodigd zijn op zijn feest.
In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen.
|