|
Lucas 2: 1 – 20
I
Zonder aankondiging vooraf verschenen zondagavond de Nederlandse bisschoppen in mijn beeld. Een voor een en onontkoombaar groot in beeld. Met elk een regel uit het geboorteverhaal van Christus. Eindigend met een gezamenlijk uitgesproken: “Welkom thuis!” Het was tijd om naar bed te gaan. Maar ik was even klaar wakker. Op mijn eigen bank, in mijn eigen huis, werd ik welkom thuis geheten door eerwaarde heren, die ik niet had uitgenodigd. Het was vast vriendelijk bedoeld. Om deze avond ging het hen. Om dit uur. Om u en mij. “Welkom thuis (in de moederschoot van de kerk)! Dat laatste moest je er bij denken van deze herders der kerk. Waar komt mijn ergernis toch vandaan? Een kerk als deze, zo’n onverstoorbaar baken in de tijd, is zeker een goede klankkast voor het kerstverhaal. Daarvoor zijn we gekomen. Gedreven door een mengeling van heimwee en zin in kerst. En God mag weten wat nog meer. Want, God, wie weet, wie weet… Als er hier een “Welkom thuis!” klinkt, dan is het de fluistering van zo veel zielen bij elkaar. Een soort gedeelde herkenning. Ieder bezig met zijn eigen zoektocht door het leven. Blij met onafhankelijkheid. Maar zich ook er van bewust dat het een hele toer is om alle dagelijkse ballen in de lucht te houden. Dat het een eenzaam gevecht kan zijn. En een wankel gebeuren. En dat je zo verlangen kunt naar een moment waarop even niets hoeft en dat toch wat belooft. Thuis komen bij jezelf. Daar heb je geen bisschoppen bij nodig. Misschien wel Willem Wilmink, die zo eenvoudig raak een ziel weet te beroeren. Zoals in dit gedicht. Het heet “Achterlangs”:
De meeste treinen rijden achterlangs het leven Je ziet een schuurtje met een fiets er tegenaan Een kleine jongen is nog op, hij mag nog even Je ziet een keukendeur een eindje open staan Als je maar niet door deze trein werd voortgedreven Zou je daar zonder meer naar binnen kunnen gaan
Zodra de schemer was gedaald Was je niet langer meer verdwaald
En je ontmoette daar niet eens niet eens verbaasde blikken Je zou toch komen? Iedereen had het vermoed Ze zouden even haast onmerkbaar naar je knikken Want wie verwacht is, wordt maar nauwelijks begroet Je zou je zomaar aan hun tafel kunnen schikken En alle dingen waren plotseling weer goed
Zodra de schemer was gedaald Was je niet langer meer verdwaald
Je hoefde daar geen druppel alcohol te drinken Want grenadine zou je smaken als cognac Je zag het haardvuur achter mica-ruitjes blinken Er kwam een merel zitten zingen op het dak En die paar mensen die je nooit hebt kunnen missen Kwamen daar binnen met een lach op hun gezicht Je zou je voortaan nooit meer in de weg vergissen Je deed het boek van alle droefenissen dicht
Maar ach, de trein is doorgegaan En kilometers daarvandaan
II
Het geboorteverhaal van Christus heeft meer met dit gedicht dan met het goed bedoelde “Welkom thuis!” van de bisschoppen. Het evangelie weet van de trein die jou voortdrijft. En dat jij kilometers vandaan bent bij het kind in jezelf. Daar helpt geen lieve moer aan. Ook niet een moederkerk. Dat thuis ligt achter ons. Mondigheid heeft zo z’n prijs. Net als het gedicht van Wilmink, gaat ook het evangelie achterlangs het leven. De voorkant is er wel. In machtige heren en redders der natie, als Augustus en Quirinius. En op kleinere schaal als in het nachtverblijf van de stad, waar mondige mensen met wat kunst en vliegwerk hun plekje hebben weten te bemachtigen. Het evangelie weet er van. Het is niet achterlijk. Maar het blijft er niet bij stilstaan. Het gaat achterlangs het leven. Dat achterlangs ligt besloten in de woorden “En het geschiedde…” In de NBV hoor je dat niet meer terug. Het is het taalgebruik niet van mensen bij de tijd. Dat was het trouwens ook al niet toen ik als kind mij het kerstevangelie eigen maakte om het voor te kunnen lezen, in de kerk of thuis aan tafel. Vreemde taal was het voor mij. En toch.. Grote vreugde gaf het om het te mogen lezen. Het kind dat voor mocht gaan. Het kind dat nog geen heimwee kende, maar wel vol verlangen zat. Zou het kunnen zijn dat het refrein “En het geschiedde..” niet naar een ver verleden wijst, maar naar een eeuwig “nu” waarin jij thuis komt bij jezelf? En dat we elkaar hier daarom zo massaal ontmoeten en er een fluistering door de kerk gaat, van hart tot hart: “Welkom thuis!” Misschien ook omdat we vol heimwee zitten en gewoon zin in kerst hebben. Maar dat is toch meer de voorkant van de dingen. “En het geschiedde in die dagen..” Het klassieke begin van het kerstevangelie klinkt op het eerste gehoor als een “Er was eens..”. Met keizer Augustus en bewindvoerder Quirinius als Dickens-achtige personages. Lang genoeg zijn ze geleden om van historische figuren tot kerstdecorum te verworden. Maar als ik doorlees en bereid ben me opnieuw te laten verrassen, dan vallen me de namen op van Jozef en Maria, van Nazaret en Betlehem. Te klein om er toe te kunnen doen. Ze bewegen op bevel van a. naar b. Ze hadden maar te gaan. Ergens achterlangs het leven. Wandelende Sofi-nummers in het belastingparadijs van een wereldleider en zijn paladijnen. Het gaat allemaal gewoon door. En toch is het niet dát wat geschiedenis maakt. Niet de lange arm van de macht die al zo lang en vindingrijk mensen op maat snijdt, dat gewenning als het ware in de genen is gaan zitten. Nee, wat geschiedenis maakt speelt aan de achterkant van de dingen. Nummers worden namen. Doodgezwegen herders spreken. En in het midden: God wordt mens. In een kind dat geen naam mag hebben. Dat is drie maal: “En het geschiedde..” Of ik het ook begrijp? Nee. Ik wen er nooit aan. Ik kan de herders in een kerststal zetten. Ik kan Jozef spelen in een kerstspel met Maria aan mijn zij. Eindeloos kan ik kijken naar een kunstwerk met het kind van Betlehem. Maar het ontsnapt me allemaal. Het ontsnapt me én het draagt me. Ik zou het willen kunnen grijpen. Maar elke keer als ik mistast, weet ik me dicht bij het begrijpen van het groot geheim dat ons ten deel valt: Gods Woord dat geschiedenis maakt. Ik hoef het niet te maken. Ik mag het ontdekken. En weten dat het voor mij is. Woord dat mij mondig maakt. En vrij.
III
Met kerst moet alles van ons kloppen. God, wat doen we onze best. Op het neurotische af. Alle warmte die we in ons dragen moet voelbaar worden om ons heen. In de huiselijkheid en in ons omgaan met elkaar. We omarmen het kerstkind. We schikken Jozef en Maria, de herders en de engelen, tot ze op het juiste plekje staan. We zoeken ze op in de kerkdienst in de hoop dat de dominee ze in zijn preek mooi heeft aangekleed. Maar ze wandelen weg uit onze schikking. Ze breken uit de kersttijd en wandelen met ons achterlangs door alle dagen van het jaar. Ze vragen: “Wordt het jou ook wel eens te veel?” “Ken jij ook die dagen dat je niet weet waar je het zoeken moet?” “Hebben ze toen ook van jou een nummer gemaakt?” In díe dagen wordt God mens. In díe vragen wordt het kind gewikkeld. Meer nog in de antwoorden die er met horten en stoten uitkomen. En het kijkt jou aan. “En het geschiedde..”: Mens, daar ben je! Welkom thuis!
Amen.
|