|
Filippenzen 3: 1 - 11
I
Mijn broertje noemt ze blije aardbeien: mensen als zonnetjes in het huis van de wereld. Ze brengen licht en zien ook licht, waar jij het nog niet had ontdekt. Dat kan soms even schrikken zijn als je wat ineen gedoken je weg aan het zoeken bent door een kleurloos landschap. Maar groet zo'n blije aardbei je en vervolg jij je weg, dan is er ongemerkt toch wat rood in het grijs gekomen.
De kerk kent ze ook. Maar dan in een variant. Blije aardbeien zijn ze niet van nature. Ze zijn zo geworden. Het geloof heeft iets met hen gedaan. Ze hebben het woord van Paulus ter harte genomen, dat deze derde zondag van Advent kleurt: "Laat de Heer uw vreugde blijven. Wees altijd verheugd. Laat iedereen u kennen als vriendelijke mensen." (Fil. 4: 4 - 5)
Ze maken werk van hun geloof. Dat zeker. Maar je zoekt ze niet op als je er doorheen zit. En laat je ze toe in je ziel, dan blijf je niet zelden achter met een gevoel van eenzaamheid en tekort. Zij maken het waar. Jij niet. Zij hebben de oproep van Paulus ter harte genomen. Terwijl jouw hart op slot zit. Ja, je zou blij moeten zijn met wat je allemaal nog wél hebt. Maar het lukt je niet.
Er is een tijd geweest dat het je wel lukte. De goede oude tijd misschien. Die zo mag heten, niet omdat hij zo veel beter was, maar omdat er verband in zat. En jij daarin je plekje had. Waar je blijdschap hebt gekend. En geloof. Maar nu? Er kan veel meer dan toen. Maar het verband is zoek. En soms bekruipt je het gevoel dat je bezig bent ook zelf zoek te raken. Je leeft mee met je kinderen. Je merkt hoe wankel geluk kan zijn. De wereld dendert binnen in je ziel. En God is God niet meer. "Laat de Heer uw vreugde blijven," klinkt er in de kerk. Maar dat is het nou net: er blijft niets. Alles beweegt in deze tijd. En het geloof heeft de neiging van je weg te bewegen. De glans is er af. Je hebt het gevoel gefaald te hebben. Daar helpt geen blije aardbei aan.
II
"Laat de Heer uw vreugde blijven," schrijft Paulus. Hij schrijft die woorden als afronding. Vóór hij de pen neerlegt. Dat de brief vervolgens vrolijk verder gaat met een nieuw onderwerp, doet daar niets aan af. Het is dus niet bedoeld als het begin van een geloofstraining in hoe jij jezelf kunt veranderen van een moeizame twijfelaar in een blije aardbei. Het is eerder een voorbede voor jou aan het eind van al jouw kunnen, dan gelovige ochtendgymnastiek. "Laat de Heer uw vreugde blijven."
Deze bede doet mij denken aan het slot van het pelgrimslied, psalm 121: "De heer behoedt je voor alle kwaad, / hij waakt over je leven, / de heer houdt de wacht / over je gaan en je komen / van nu tot in eeuwigheid." Dan weet je waar de vreugde van Paulus op is gestoeld. Niet jij hoeft jezelf vast te houden. De Heer zal het doen. Een pelgrim moet het hebben van de overgave. Zij stelt zich bloot aan weer en wind en aan gevaren. En vraagt zich af: Zal Hij er zijn als schaduw aan mijn rechterhand, als ik langs het randje moet gaan?
Het beeld van de pelgrim past wel bij de moderne mens die vertrouwde verbanden achter zich heeft moeten laten. En die haar weg gaat onder een gesloten hemel, door weer en wind, zonder te weten waar zij aan zal komen. En hoe het daar zijn zal. En wie zij zal zijn geworden. Zeker ook op ouderen is dit beeld van toepassing. Zij weten hoe het is om steeds meer alleen de weg te gaan. Met afnemende krachten, afnemende zekerheden. Het beeld van de pelgrim past misschien wat minder bij de blije aardbei in de kerk. Hij wekt de indruk al lang gearriveerd te zijn. Fris en Vrolijk. Als hij goedbedoeld jou toeroept dat ook jij het kunt - gearriveerde christen zijn, voel je je alleen maar kleiner worden.
III
Paulus doet dat anders. Hij roept niet naar jou dat jij het wel kunt. De tijd dat hij zich voorstond op wat hij in huis had aan geloofskennis, overtuiging en inzet, ligt ver achter hem. Wat een vreugde gaf het hem om te leven naar Gods geboden. Gedreven op het fanatieke af, zegt hij zelf. Hij was thuis in de boeken van Mozes. Hij woonde er in. Gods wet was voor hem een lamp voor zijn voet en een licht op zijn pad. Een voorbeeldige gelovige die mensen de maat nam om Gods eer hoog te houden.
Tot dat ene moment waarop hij letterlijk uit het zadel werd gegooid. Een stem sloeg in. Een vraag: "Saul, Saul, waarom vervolg je mij?" (Hand. 9:5) Was dat niet de vraag die ooit David stelde aan koning Saul, toen hij zich voor hem schuil moest houden? Een vraag die hem deed breken: "Ik heb verkeerd gedaan." (1 Sam. 26:18 e.v.) Koning Saul naar wie hij was vernoemd. Beiden uit de stam Benjamin. Het was zo'n ervaring die alles doet kantelen. Licht wordt donker. En donker wordt licht. "Wat voor mij winst was, ben ik omwille van Christus als verlies gaan beschouwen," schrijft Paulus. Alles wat hij zeker wist - wat goed was en wat niet, de zaak van God - zijn passie; ze werden eensklaps tot een vraag: "Wie bent u, Heer?" (Hand. 9:5)
Zo'n vraag die je je stellen kunt als je met heimwee terug denkt aan de tijd dat je vol geloofsvertrouwen was - toen God geen vraag was maar een zeker weten. "Wie bent u, Heer?" Van je paard gegooid is dat wat overblijft een vraag. Je kijkt omhoog. Je wacht op antwoord. Tegen beter weten in. Als er een antwoord is, dan zal het moeten komen van elders dan van omhoog. Onverwacht. Onvermoed. Ongedacht. Je wacht, maar weet nog niet waarop. Misschien is dat ook wel Advent, dat je het uithoudt met die vraag omdat je niet meer leven kunt met de oude antwoorden. Waken bij die vraag, bij jezelf, bij je kinderen, in de wereld die zo godvergeten schijnt dat je wel vragen moet: "Wie bent u, Heer?"
Paulus reikt ons een antwoord aan dat niet van boven komt, niet uit de trukendoos van hen die altijd wel een antwoord hebben. Dat antwoord is Christus. Nee, niet de Christus uit de trukendoos, die op maat van godenzonen is gesneden. Niet die. Maar hij, die tegen Paulus zei: "Ik ben Jezus, die jij vervolgt." (Hand. 9:5) Hij die zich voegt bij mensen die wakker liggen in de nacht. Bij hen die vervolgd worden door beelden en ervaringen die een mens woordloos maken. Maar ook door praatjes die geen gaatjes vullen en door antwoorden die nergens meer op slaan, hoe blij ze ook verkondigd worden.
Niet meer te paard wil Paulus van God spreken. Vuilnis, afval, is het voor hem geworden. Het kennen van Christus Jezus is voor hem alles geworden. Zijn stem, Gods stem, hoor je niet als je te hoog zit. Hoe vaak laat de kerk hem niet buikspreken: Klem gezet in dogma's, omgevormd tot een moderne vrije geest of in suikergoed gegoten - wat maakt het uit? Paulus leerde hem pas kennen toen al zijn antwoorden verduisterden en hem alleen nog maar die vraag restte: "Wie bent u, Heer?" Als er al een bruggetje bestaat van ons uit naar de hemel, dan is het deze vraag. Een vraag van zo veel mensen. Een donkere vraag in hemels licht gezet.
IV
Dat de donkerste vragen in hemels licht zijn gezet, is de boodschap van de kerk. Als u van nature geen blije aardbei bent, hoeft u dat hier ook niet te spelen. Het is genoeg om niet zenuwachtig te gaan strooien met antwoorden, als het leven zich aandient als vraag. De kerk herken je ook niet aan opgestroopte mouwen waarmee het kwaad te lijf gegaan wordt. Eerder aan een rustig niet van wijken weten bij een mens vandaan, die op het leven stuk gelopen is. Met alleen de onrust van verlangen in het lijf dat Christus zich zal openbaren in dat samenzijn dat vrij van antwoorden is. Niet als een duveltje uit een doosje. Maar als God die mens werd, die ons duister van de dood tot het zijne maakte en ons er uit tevoorschijn riep. Hij deelde in ons lijden. Wij delen in zijn opstanding. Het blijft een vreemd verhaal. Maar goed, het is dan ook niet ons verhaal..
In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen
|