Home Archief
Zondag 30 november 2008 - Ds Evert Jan Veldman PDF Afdrukken E-mailadres
Overwegingen

Marcus 13: 24 - 37

 

I

We zouden het wel willen, maar we kunnen het niet meer: Geloven dat hij komende is, de Mensenzoon. Waakzaam zijn, dat lukt nog wel. Een appel op ons kritisch vermogen gaat er nog wel in - Zonder oogkleppen op in het leven staan. Je niet gek laten maken. Maar die Mensenzoon en zijn engelen? En dat komen op de wolken?

 

Sinterklaas komt tenminste nog met een boot.. Misschien vindt u de vergelijking niet gepast. Maar is het dan wel gepast om met een grote boog om dat komen van de Mensenzoon heen te gaan - omdat je er niet meer mee uit de voeten kunt? Terwijl er in de woorden toch een diep verlangen brandt - van toen, van ooit, van mensen die ons na komen als wij het evangelie horen. Of is het dan wel gepast om kritiekloos en vrij van vragen de woorden letterlijk te nemen? Of je te voegen in die tragische groep, die van alle tijden is, en dan weer hier, dan weer daar, een berg beklimt om te gaan zitten wachten tot hij komt - omdat hun leider het gezegd heeft?

 

Nee, geef mij dan maar de intocht van Sinterklaas. Ik heb het weer gezien dit jaar. Hoe de kinderen van alle kanten samen stroomden op de brug over het Reitdiep. Aan de hand van papa's en mama's, in de wandelwagentjes bij opa's en oma's. Reikhalzend. Wakker tot en met. Groot en klein. Geef mij een beter tafereel dan dit om iets te kunnen pakken van dat komen van de Mensenzoon. Hoe kom ik anders bij het verlangen van de evangelist, dan door een kind aan te kijken, zijn opa te zien - meegenomen in het heilig spel van de intocht? Weet u een betere gelijkenis?

 

 

 

II

Nee, maar Sinterklaas hebben we zelf bedacht. Maar God? We hopen zo dat hij niet het bedenksel is van mensen; dat wat geloof in mij teweeg brengt in die zeldzaam heilige momenten een teken is van zijn komen, meer dan zo maar een reflex van mijn eigen vroom gemoed. Je hoopt dat wat ten hemel schreit gehoord wordt, door Iemand - God mag weten waar. Dat we ons niet vast hoeven te houden aan het spreekwoord: "Het kwaad straft zichzelf." Want het is zo vaak niet waar. Het zijn de kwetsbaren die worden gestraft. En dat er zoiets als vergeving bestaat, ook dat hoop je. Voor wat op eigen kracht niet meer recht te trekken valt - de scheve verhoudingen wereldwijd, het ontspoorde mens-zijn.

 

Je zou jezelf de opgewondenheid toewensen van het kind dat stralend inbreekt in een volwassen gesprek: "Hij komt. Sinterklaas komt!" Maar je kunt niet meer uit de voeten met het beeld van de Mensenzoon die komt op de wolken, bekleed met grote macht en luister. En dat hij de engelen erop uitstuurt om zijn uitverkorenen uit de vier windstreken bijeen brengen, van het uiteinde van de aarde tot het uiteinde van de hemel. Het Sinterklaasfeest kun je meespelen. Dit niet. Juist omdat het raakt aan je diepste verlangens, je laatste hoop, je teer geloof, juist daarom kun je niet uit de voeten met het tafereel van de  wederkomst. Daar kun je toch bij moderne mensen niet meer mee aan komen? Je wilt serieus genomen worden, toch?

 

III

U hoeft uzelf niets te verwijten. U hebt gelijk. Er zijn minstens twee goede redenen te noemen om niet uit de voeten te kunnen met de wederkomst van de Mensenzoon.

 

De eerste is dat de schrijvers van de nieuwtestamentische brieven en de evangelies er vast op hebben vertrouwd dat Christus spoedig weer zou komen. Het kon vandaag of morgen zijn, maar zeker binnen hun generatie. Dat is een opmerkelijke trek door heel het Nieuwe Testament heen. Die verwachting verbindt dus ook Marcus met Paulus. Als Paulus spreekt over de dag van Christus, dan heeft hij het zelfde beeld voor ogen dat Marcus ons tekent.

 

Zal het de tijdgeest zijn geweest? Of heeft Jezus een onuitwisbare indruk achter gelaten? Was God in hem hen zo dichtbij gekomen dat hij niet meer van wijken wist, ook nu hij niet meer lijfelijk onder hen was? Was Jezus zozeer te bespeuren in hun omgaan met elkaar, dat ze maar tot één conclusie konden komen: dat hij komende was. Opnieuw en voorgoed?

 

Hoe dan ook, ze hebben zich vergist. Hij is niet terug gekomen. Zijn grote macht en luister bleven verborgen. Ze hebben zich vergist en zijn gestorven, ons achterlatend met fossiele beelden. Het leeft niet meer voor ons. En langzamerhand is het beeld gekanteld. Na dit leven zullen wij één met Christus zijn. Dan gaan we naar hem toe. Dat is de troost die rest. Want hij is niet gekomen.

 

Een tweede reden om niet uit de voeten te kunnen met de wederkomst van de Mensenzoon, is dat het onze taal niet is. Het is de taal van de onderdrukten. Zozeer klem gezet, dat er geen hoop meer te putten valt uit de ervaring. Het zwijgen opgelegd door de geschiedenis. Dan zit er nog maar één ding op: Dat God ingrijpt, dat de hemel inbreekt. Een sprekend voorbeeld is Marcus' beschrijving van het strafproces dat Jezus ondergaat. Zwijgend staat hij voor de hogepriester. Kansloos. Tot er woorden van elders komen die kant noch wal lijken te raken: "U zult de Mensenzoon aan de rechterhand van de Machtige zien zitten en hem zien komen op de wolken van de hemel." (Marcus 14: 62)

 

Nemen wij die taal probleemloos over, dan gaat het aan twee kanten fout. Wij zijn nog steeds aanspreekbaar in onze eigen taal, op onze eigen daden. En wij hebben de ruimte om zinvol te antwoorden. Wij hebben deze apocalyptische taal niet nodig. Zij wel, die geen kant meer op kunnen. Als wij hun taal probleemloos annexeren, plegen wij diefstal, stelen wij de hoop, roven wij God bij hen vandaan.

 

IV

Zit er nog wat voor ons in het vat? Of in de zak - om in de sfeer van deze week te blijven. Is dit het definitieve afscheid van ons kinderlijk verlangen, dat hij in aantocht is - de Mensenzoon? Ruilen wij het in voor de steeds breder geaccepteerde gedachte dat er wel iets zal zijn na onze dood?

 

Laten we in de sfeer van de Sinterklaasavond blijven en de apocalyptische taal van de Mensenzoon die komt op de wolken vergelijken met het prachtigste pakpapier waarin de voor jou bestemde surprise is ingepakt. Zie met hoe veel liefde en zorg het is gedaan. Zie jezelf zitten bij het uitpakken. Met rode konen. Je scheurt niet, je neemt de tijd. Want je voelt wel aan hoe veel werk er in zit. In het pakpapier zit de surprise. Een knipoog, speciaal voor jou.

 

Wat die surprise is? Hoe zal ik die beschrijven? Laat ik het doen met een beeld uit het eerste scheppingsverhaal. Marcus maakt er tenslotte zelf ook gebruik van. Het rept van een licht dat ons omstraalt, nog voor er zon, maan en sterren aan de hemel stonden. Een licht dat blijft, ook als de hemellichamen van hun hoge tronen storten. Dat licht laat zich niet onderzoeken en beheersen. Het straalt van liefde. Het wil niet anders dan er zijn voor jou. En daarom komt het, steeds opnieuw. Het is kwetsbaar en machtig tegelijk. Zoals die Mensenzoon. Hij weet van geen wijken.

Aan ons de taak nieuwe beelden te scheppen, nieuwe taal te vinden voor dat licht. Ja, zelfs dat licht te zijn. Laten wij Gods surprise opnieuw inpakken in het mooiste papier dat er is. Bestemd voor deze wereld, voor hen die vaak niet weten waar ze het zoeken moeten, En weet je niet of je dat wel kunt, kijk het dan af van wie ons daarin zijn voorgegaan - de stoet van getuigen, van Paulus en Marcus tot de kleinen van vandaag voor wie de zon niet schijnt - zij wachten op een ander licht.

 

Het vraagt van ons een ander soort geloven dan wachten op ons eigen einde en kloppen op de hemelpoort. Het vraagt van ons te waken, te speuren naar het licht dat steeds weer komt. "Laat hij jullie niet slapend aantreffen!" (Marcus 13: 36)

 

     

 


Copyright © 2009-2011 Nieuwe Kerk Groningen. Alle rechten voorbehouden.