Home Overwegingen Zondag 20 september 2009 - ds. Evert Jan Veldman
Zondag 20 september 2009 - ds. Evert Jan Veldman PDF Afdrukken E-mail
Geschreven door Ds Evert Jan Veldman   
zondag 20 september 2009 16:31

Jacobus 3: 16 – 4: 6

Marcus 9: 30 – 37

 

I

Met het thema van deze startzondag kun je alle kanten op. “Wij geloven..” – algemener kan het niet. Pas als je in gaat vullen waarin we geloven, wordt het spannend. Maar wie zit daar op te wachten? Het leven is al spannend genoeg. Hemeltergend soms. Dit is een plek om tot rust te komen, de vragen af te schudden. Even niet “ik” te hoeven roepen om te bewijzen dat jij er nog bent. Wij dompelen ons onder in het warme bad van ‘wij’. Onze stemmen vinden elkaar hier in het zelfde lied. En tegelijkertijd zijn we als de dood dat het ons niet lukken zal, dat we ons eenzaam zullen voelen in de groep, dat onze ziel het lied niet pakken kan. En daarom: alsjeblieft geen moeilijke dingen, want die hebben we al zat.

 

Laat maar in het midden wat we geloven. Want zij gelooft dit en hij gelooft dat. En wij geloven van alles wat. Houd het ruim en vaag vandaag. Houd de grabbelton intact. Geef ieder iets te grabbelen. Laat er voor elk wat wils zijn – een wijs woord, een beetje troost, een glimp van God die liefde is. Zodat niemand af hoeft te haken. Dat is al genoeg gebeurd. Het “wij-gevoel” is zo maar weg. Het spel van de gemeenschap is broos geworden.

 

II

Het evangelie weet wel hoe wij er bij zitten, hoe wankel het is als wij onszelf moeten zien te redden. En daarom roept het ons daar vandaan. Weg uit de wereld waar ieder mens het op eigen kracht moet zien te rooien. En waar gemeenschap niet meer is dan het spel van samenkomen en zien hoe je er je voordeel mee kunt doen. Zolang er iets te halen valt, koester je het “wij-gevoel”. Maar als het op is, is het op en ga je verder. Soms even ben jij van “wij”. Maar altijd ben jij “ik”. Je moet in deze wereld wel.

Nu roept het evangelie geen “Foei!” Het zegt niet: “Denk eens wat meer aan een ander. Wees eens wat meer van “wij”!” Nee, het roept ons weg uit die wereld. Met een onverbiddelijk zachte kracht neemt het jou en mij apart. “Ze vertrokken uit die streek en reisden door Galilea, maar hij wilde niet dat iemand dat te weten kwam..” (vers 30)

 

In de wereld lijken jij en ik wel losse atomen, die botsen en soms even samengaan. Totdat het evangelie ons onttrekt aan dat krachtenveld. Dan pas worden wij “wij”. Geen opgepoetste egootjes, die mooie verhalen ophangen over een “wij”, maar die ondertussen “ik” doen. Nee, een echt “wij”, waarvoor jij en ik niets hebben hoeven doen. Want voor je het wist, ben jij apart genomen, met al die anderen die hetzelfde overkwam.

 

Begrijp me goed, je bent niet op een wolk getild. Je bent nog steeds op reis in deze wereld. “Door Galilea,” zegt het evangelie. Dat is het land dat het meest te lijden heeft van het vrije spel van krachten. Daar wonen de mensen die vertwijfeld zoeken naar bestaansrecht en elke dag opnieuw de hoop verliezen. Daar vindt het evangelie ons. In de wereld worden jij en ik aan de krachten van deze wereld onttrokken. Niet langer hoef jij je zelf te redden en moet ik mezelf staande zien te houden. God herschept ons tot een nieuw “wij”.

 

III

Hoe hij dat doet? Laten wij vooraf zeggen dat wij er niets van begrijpen. Dat zegt het evangelie immers ook van de leerlingen in hun reactie op Jezus’ woorden? Letterlijk staat er: “Maar zij hebben niets herkend in wat hij zei, en waren bevreesd om hem er naar te vragen.” (vers 32)

 

Dat zegt iets over de weg die God gaat. Die weg onttrekt zich aan wat wij vatten kunnen. Er is geen herkenning van onze kant. Al onze mooie gedachten over wie of wat God zou kunnen zijn en hoe je hem kunt vinden, hebben niets te maken met wie hij werkelijk is – de Naam ik-zal-er-voor-jullie-zijn. De weg die God gaat leidt naar beneden, naar de peilloze diepten waarin mensenkinderen tasten naar houvast dat er niet is. Die weg van God roept huiver op. Niet zelden heeft de kerk die huiver overschreeuwd met dogma’s. Om toch maar te kunnen vatten wat niet te vatten is, dat God zelf aan het woord is in dit ene kind van mensen – geen spreekbuis, maar onverkort God, met heel zijn hebben en houden: “De Mensenzoon wordt uitgeleverd aan de mensen. Die zullen hem doden maar na drie dagen zal hij uit de dood opstaan.” (vers 31)

 

Onze ziel en zaligheid is niet afhankelijk van de vraag of wij in Jezus God herkennen. Onze ziel en zaligheid ligt geborgen in het geheim dat God in Jezus onze eenzaamheid, onze wanhoop, ons dagelijks doodgaan aan deze wereld, heeft willen kennen. Daar worden jij en ik tot “wij” gemaakt. Dat is op de plek waar je wegkijkt bij jezelf omdat de pijn daar niet te harden is. Geen wonder toch dat het evangelie zegt: “Maar zij hebben niets herkend in wat hij zei, en waren bevreesd om hem er naar te vragen.”

 

Wie weg moet kijken bij zichzelf – en wie is dat uiteindelijk niet? –, die kan niet herkennen dat God jou daar heeft opgezocht. Dat is godsonmogelijk! En wie huivert niet, alleen al bij die gedachte, omdat je wel vermoed hoe groot de rotzooi is die je probeert te verbergen – zo goed dat het pijn doet in lijf en ziel. En dan horen dat je op mag staan met hem, dat je niet langer van je oude zelf bent. Maar een met velen. Een nieuw “wij” in de wereld, aan de macht van deze wereld onttrokken.

 

IV

Er is een Chassidisch verhaal waarin aan een joodse rabbi door een leerling de volgende vraag wordt gesteld: “Vroeger waren er mensen die God van aangezicht tot aangezicht zagen. Waarom zijn die er vandaag niet meer?” De rabbi antwoordde: “Omdat vandaag niemand zich meer zo diep wil bukken.”

 

Dat is trouwens geen wonder. Wie zich zo diep bukt, ziet een wereld die niet te harden is. Daar liggen de scherven van je eigen verleden. Maar bleef het daar maar bij. Je ziet kinderen die je niet wilt zien. Niet zo. Verknipt geraakt door geweld. Verkocht voor een paar euro. Ontrecht. Je ziet mensen zonder enig perspectief. En je wilt het niet zien omdat je weet: Hij is als ik. Geen wonder toch? Jij bent ook maar een mens. En je kunt er niks mee, want de kloof tussen die hel en jouw blikken hemel is te diep geworden.

 

Als Jezus gaat zitten en de twaalf leerlingen bij zich roept, legt hij die wereld in hun midden. Door een kind midden tussen hen neer te zetten, legt hij de hele wereld in hun midden. Hij zegt niet: “Stroop je mouwen op. Doe eindelijk eens wat. Pak de wereld aan.” Maar hij omarmt het kind. Het kind in jou dat gevangen zit in je opgepoetste ego, in je angsten, in jouw heilig moeten. En alleen zo, door hem omarmd, ben jij in staat om de wereld toe te laten en te zien dat die ontrechte mens, dat verknipte kind, is als jij. Net als jij omarmd door hem die ons heeft opgezocht; die is als God. Dat nieuwe “wij” wordt niet in de kerk geboren, maar midden in de wereld waar God plaats gevonden heeft. Een wereld met perspectief, ondanks alles. Een wereld om te omarmen. Oefenterrein voor de solidariteit.

 

V

Niet te lang en vooral niet te ver zoeken naar God, gemeente. Want u bent al lang gevonden. En God is dichterbij dan ieder mens zich denken kan. In dat kind, dat is als jij, dat jij toelaat in jouw leven; daarin laat je Jezus toe en in hem God zelf. Aldus het evangelie.

 

Laten wij hier dat nieuwe “wij” vieren en vorm geven, in solidariteit met Stad en wereld. En laten wij bovenal God loven en de Naam belijden.

 

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.

 

Amen
 


Copyright © 2009-2010 Nieuwe Kerk Groningen. Alle rechten voorbehouden.