Psalm 124
Marcus 9: 38-50
I
Een kind mag in het midden staan, ook als de eigen benen het nog niet kunnen dragen. Op de arm van vader of moeder en voelbaar omarmd door een geloofsgemeenschap. Met op de eerste rang de kinderen. Hoe mooi kan het zijn in de kerk. We proberen ons voor te stellen dat je kopje onder kunt gaan en dat de doodsrivier je de adem ontneemt. Maar het wil niet echt lukken. We hebben voor even de wereld buiten gesloten. Hier heerst het kinderlijk vertrouwen.
De lichtheid komt dicht in de buurt van de vertedering. Met zo veel mensen vol verlangen naar heelheid is dat ook geen wonder. We steken elkaar aan met ons menselijk vermogen om vertederd te raken. En dat voelt goed op z’n tijd. Want er is al zoveel dat boosheid en verbittering oproept.
En toch is het goed om te zeggen dat niet de vertedering ons vanmorgen draagt en aan elkaar verbindt. De lichtheid die onmiskenbaar echt is, komt niet op uit ons gemoed zoals de vertedering. De lichtheid is uit God. En hoe gek het ook klinken mag, die lichtheid, dat pak van ons hart, het wordt ons aangedaan waar de onmacht ons verlamt en de boosheid ons doet verkrampen en we gebukt gaan onder meer dan een mens dragen kan. Deze lichtheid heeft het niet nodig om de deuren naar de wereld achter ons dicht te doen. Daarom is deze lichtheid ook sterker dan de vertedering. Hier daalt een lichtheid op ons neer die steeds opnieuw ons zal verrassen, als het leven ons zwaar valt.
II
Het evangelie van deze zondag brengt op het eerste gehoor allesbehalve lichtheid. De kreet van een kind kan ons vertederen, maar wie zal er zachtheid ervaren bij het horen van hel en verdoemenis. En dat nog wel uit de mond van Jezus. We hadden op moeten houden met lezen bij die prachtige woorden: “Want wie niet tegen ons is, die is voor ons.” En dan hadden we de teksten, die aan de evangelielezing van deze zondag vooraf gaan, er bij kunnen trekken. Dan zouden we in plaats van hel en verdoemenis dit gehoord hebben: “Hij ging zitten en riep de twaalf bij zich. Hij zei tegen hen: ‘Wie de belangrijkste wil zijn, moet de minste van allemaal willen zijn en ieders dienaar.’ Hij pakte een kind op en zette het in hun midden neer; hij sloeg zijn arm eromheen en zei tegen hen: ‘Wie zo’n kind opneemt omwille van mij, neemt mij op; en wie mij opneemt, neemt niet mij op, maar hem die mij gezonden heeft.’”
Met dat evangelie hadden we ons prima weten te redden. De lichtheid van onze vertedering en de lichtheid van God gegeven, hadden naadloos op elkaar gepast. We hadden op ons eerste gehoor af kunnen gaan. En nu zullen we weer een draai moeten geven aan hel en verdoemenis om nog een beetje voldaan naar huis toe te gaan.
Voor we aan het draaien en het sussen slaan, moeten we het toch nog even hebben over het kind dat ons vertedert. Het komt namelijk terug in de evangelielezing van deze zondag. En dat kind staat aan de poort van de woorden over hel en verdoemenis: “En wie één van deze kleinen die op mij vertrouwen aanstoot geeft, - veel mooier zou het voor hem zijn, als een molensteen om zijn hals gehangen en hij in de zee gegooid werd.” Er is sprake van een overtreffende trap, een concentratie in het evangelie. Hier wordt een mensenkind in het midden gezet, kleiner dan ons lief is.
In de bijbelverhalen wordt een kind niet vanzelf groot. Met het klimmen van de jaren kan het kleiner worden. Als er geen moeder meer is die het dragen kan en de rugzak te zwaar geworden is om nog vooruit te kunnen. Te vaak onderuit gehaald. Klein gemaakt en klein gekregen. Zoals de kinderen Israëls in de slavernij van het Angstland. Zoals de asielzoeker die zich tegen uitzetting verzet en aan handen en voeten gebonden wordt. Zoals misschien wijzelf als de maskers vallen en er geen kracht meer over is om ons groot te houden. Met de woorden van de psalmdichter: “Was de heer niet voor ons geweest toen de mensen zich tegen ons keerden, ze hadden ons levend verslonden, zo hevig was hun woede.” (Psalm 124:2 en 3)
III
Dan is het nog maar een kleine stap naar de hel. Ofwel: Gehenna. Ofwel: Dal van Hinnom. Altijd goed om te weten dat zoiets absoluuts als de hel, begonnen is als een traceerbare plek op aarde. Gelegen ten zuiden van Jeruzalem (Had je dat maar geweten, dat de hel zo ver weg lag, toen ze je er vroeger bang mee maakten!) De hel was een soort afvaldal dat altijd brandde. Outcasts die geen mensen hadden om hen te begraven, vonden in dat dal hun laatste rustplaats.
Maar het kon nog erger. Onder de koningen Achaz en Manasse werden hier mensenoffers gebracht aan de almachtige godheid Moloch. Over lijken werd aan macht gebouwd, angst ingeboezemd en de eigen angst bedwongen om macht te verliezen. De kleinen, aan handen en voeten gebonden, hun namen uitgewist door hen die naam maakten.
De profeten gaan er tegen tekeer, vervloeken de plaats waar de namen van de kleinen worden uitgewist. Tot in eeuwigheid zal het niet vergeten en vergeven worden. En zo wordt het dal van Hinnom door Jeremia het Moorddal genoemd en krijgt het bij Jesaja de contouren van de hel zoals wij er vertrouwd mee zijn geraakt – als je het zo mag zeggen.
De nieuwe hemel en de nieuwe aarde, zoals door de profeten geschetst, ze zijn bevochten op het dal van Hinnom. De priesters en levieten, uit alle volkeren verkoren, “zij zullen uitgaan en de lijken aanschouwen van de mannen, die van Mij afvallig geworden zijn; want hun worm zal niet sterven, en hun vuur zal niet uitdoven, en zij zullen voor al wat leeft een afgrijzen wezen.” (Jesaja 66:24)
Kijk, nu weten we waar we het over hebben. Mensen worden bang gemaakt met de hel. Het is ook een werkelijkheid om bang van te worden. Maar de smeerlapperij zit ‘m in de omkering van alle dingen. Mannen die de touwtjes in handen hadden, hebben zich bediend van de hel om de kleinen er onder te houden. En zo hebben ze onder de dekmantel van het ware geloof het dal van Hinnom verder uitgebouwd.
Het antwoord daarop is niet ons liberale gedraai waarmee de breuk die door de geschiedenis loopt onzichtbaar wordt gemaakt. Laat staan de woede van de profeten! Laat klinken het woord van Jezus! Want zij vertolken de stem van de kleinen die de mond worden gesnoerd, overal en altijd weer. En hij, die wij als Heer belijden, hij gaat nog verder en daalt af naar het dal van Hinnom en wordt een met zijn broeders en zusters die over de kling worden gejaagd. God uit God is Hij, de barmhartigheid zelf, solidair tot in eeuwigheid.
IV
Naast het ene woord ‘hel’ dat ons zoveel zorgen baart, is ‘aanstoot geven’ of ‘laten struikelen’ een steeds terugkerend woord in het evangelie van deze zondag. De NBV vertaalt het met ‘op de verkeerde weg brengen’ of ‘van de goede weg afbrengen’. Met dat woord is feitelijk hetzelfde gebeurd als met het woord ‘hel’. Mannen hebben zich er over ontfermd en uit angst voor alles wat anders is en nooit helemaal grijpbaar wordt, hebben ze er hun draai aan gegeven. Aanstoot geven doe je als je je anderszijn uitleeft in hun nabijheid en zo hun regels overtreedt. Aanpassen zul je je! Geen korte rokjes en een diep decolleté, want dan vraag je er om. Maar evengoed geen hoofddoekjes en geen soepjurken, want dan vraag je er ook om.
Ook hier is het weer net andersom. Het woord ‘aanstoot geven’ heeft niets te maken met de moraal van de mannetjesmakers. Het woord moet veel meer letterlijk genomen worden en verwijst naar de wapens waarmee de kleinen worden klemgezet. Aanstoot geven verwijst naar de stok om de hond te slaan. Aanstoot geven doe je met het klapnet van de vogelvangers: “Eer aan de heer, Hij gaf ons niet prijs, Hij gaf ons niet ten prooi aan hun tanden. Wij zijn als een vogel ontsnapt aan het klapnet van de vogelvangers: het klapnet scheurde en wij zijn gevlogen. Onze hulp is de naam van de heer die hemel en aarde gemaakt heeft.” (Psalm 124: 6-8) Met die bemoediging begint de kerkdienst. Zo mag je zeggen dat elke zondagmorgen een nagel aan de doodskist is van wie zich overschatten en groter maken dan ze zijn.
Het gescheurde klapnet, is dat niet een prachtig beeld voor wat deze gemeente wil zijn? Geen tent die potdicht zit en zelfgenoegzaam haar mores verkondigt. Geen ‘wij’ versus ‘zij’. Maar vastberaden gemeenschap die weet dat ook buiten haar huis vogels van divers pluimage te vinden zijn die zich inzetten voor de vrede van de stad. Wij reiken een beker koud water aan of een kop koffie voor een mens die dorst naar de gerechtigheid, maar evengoed is het omgekeerd en wordt ons troost geboden door mensen van buiten. Ach, wat heet van buiten als het gaat om de bevrijding van Godswege? Het klapnet is gescheurd. Heel Stad en Ommeland is Gods wereld, ondanks alles.
Wij bidden om de Geest die ons nieuwe ogen geeft zodat wij ons niet langer blind hoeven staren op wat er niet toe doet. Wij bidden om nieuwe voeten die gaan waar misschien nog geen weg te zien is. Wij bidden om nieuwe handen die kunnen ontvangen en vreemden groeten. Handen die zich kunnen vouwen om te bidden dat het waar mag zijn.
In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest
Amen.
|