|
Deuteronomium 15: 1 – 11
Marcus 10: 17 – 31
I
Het gevecht tegen armoede en de herverdeling van rijkdom zijn geen bepalende thema’s meer in ons kerkelijk leven. We kunnen prima zonder. De droom van een wereld omgekeerd is op de achtergrond geraakt. “Dat dorst en honger zijn verdwenen” (TT 207) – die regel uit een kerklied, is een vrome wens die steeds weer achteraan mag sluiten in het rijtje van prioriteiten. De kerk is toch vooral geworden tot een plek om troost te vinden en geborgenheid te ervaren. En daar heb je de grote vragen van armoede en rijkdom nou eenmaal niet bij nodig.
Dat we ongevoeliger zijn geworden voor deze vragen, geloof ik niet zo. Maar we zijn er achter gekomen dat de wereld zich niet zo maar om laat keren. Waar zou je ‘m in hemelsnaam vast moeten pakken? We hebben alle energie nodig om zelf staande te blijven in een rusteloze wereld, die alles te bieden heeft maar tegelijk alles uiteen rukt. Dagelijks ben je bezig te halen wat er te halen valt en bij elkaar te houden wat jou dierbaar is. Je moet wel. Ongevraagd ben je gepromoveerd tot manager van je eigen leven. Is het dan vreemd dat je hier komt om bij God te schuilen, zoals een kind zijn tranen droogt met het gezicht in de schoot van zijn moeder? Dat je de wereld even niet wilt zien, dat is toch niet zo gek? En dat je terug verlangt naar een God die als een moeder voor je is, ook als je niet meer in zo’n God geloven kunt, dat is toch evenmin gek?
II
Een rusteloze wereld creëert rusteloze zielen. Rusteloos als de man uit het evangelie van deze zondag. Hij wandelt niet, hij rent. In de kerk heet hij ‘de rijke jongeling’. Maar dat hij jong is, staat nergens. Ja, hij rent en hij vraagt en hij zoekt naar richting. Maar is dat voorbehouden aan jonge mensen? Een kerklied zingt: “Oud’ren gaan rustig wel bereid..” (Gezang 170:1) Maar dat lied is ook al weer van even geleden.
Laat u niet afleiden. U mag die rijke jongeling zijn, hoe oud u ook geworden bent. En mocht u niet rustig en welbereid uw geloofsweg gaan, weet dan dat u hier door Jezus wordt aan gekeken. En dat hij u lief krijgt, zoals toen die man met zijn onrust, met zijn vragen en alle goede wil van de wereld. Dat bent u toch? U hebt ook de geboden hoog gehouden, of in ieder geval uw best daar voor gedaan? U wist het allemaal misschien wel net zo goed als hij. En toch is er die rusteloosheid in geslopen, die je terug ziet in die rennende man. Hij moet er van af. Hij valt op zijn knieën. “Wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?” – dat einde aan alle onrust.
III
“Goede meester”, had hij Jezus genoemd. Want zelf wilde hij een goede leerling zijn. Om die rusteloosheid er onder te kunnen krijgen, dat gat in zijn bestaan, dat zich niet op laat vullen door alles wat hij al kan en al heeft. Leer mij wat ik moet doen! Het antwoord dat hij krijgt, is niet genoeg voor hem. Over alle geboden heeft hij gewaakt, om die te doen. Als een goede Jood, als een rechtvaardige. Maar dat gat in zijn bestaan is gebleven.
“Jezus kijkt hem aan, krijgt hem lief,” zegt het evangelie. Het lijkt niet het belangrijkste te zijn in dit tekstgedeelte. Maar het komt ons wel tegemoet in ons verlangen naar troost en geborgenheid. “Jezus, wat moet ik doen om het leefbaar te maken? Ik doe mijn best. Maar de rusteloosheid blijft.” En het evangelie antwoordt: “Sta mij toe dat ik je aan kijk, dat ik je lief krijg. Houd maar even op met doen. Vergeet even dat je geacht wordt de manager van je eigen leven te zijn. Wapen jezelf niet. Sta mij toe dat ik dat gat in je binnenste met je deel.”
Dat is troostend, toch? Ja, maar dan worden we ook bepaald bij wat troost inhoudt. Troost is geen doekje voor het bloeden. Troost is niet het wegtoveren van dat gat in je bestaan, met een goed woord of een arm om je heen. Troost is de kunst van het ruimte maken om het werkelijk te mogen hebben over het gemis, over het gat, over de wortels van de rusteloosheid. Wetend dat je niet wordt afgeserveerd.
Dat jij met alles wat je doet en moet en wat is mis gegaan, het niet wilt hebben over armoede en herverdeling van rijkdom, dat is geen wonder. En dat je behoefte hebt aan troost en dat je zat bent van al die profeten die het zo goed weten, dat is ook geen wonder. Maar wist je dat die troost nou juist de ruimte maakt om het er wel over te hebben. Dat Jezus de man aankijkt en lief krijgt, dat is de bron voor de radicale woorden die volgen: “Eén ding ontbreekt je; ga heen, al wat je hebt, verkoop het en geef het aan de armen en je zult een schat in de hemel hebben.” (vers 21)
We zijn mondig genoeg om direct ons woordje klaar te hebben: Sinds wanneer worden de armen van geven beter? En als al niemand gebaat is bij het faillissement van de DSB-bank, wat helpt het de wereld dan als ik alles verkoop en het aan de armen geef? En die schat in de hemel, hoeveel is die waard? Hoe vaak zijn mensen daar niet zoet mee gehouden? Stuk voor stuk steekhoudende vragen. Argumenten om niet in te gaan op de radicale oproep van Jezus.
Maar dan gaan we wel voorbij aan waar het allemaal begon: dat hij je aankijkt, dat hij je lief kreeg. Het is die eenvoud die alles draagt. Alle complexiteit wordt er door ontrafeld en tot zijn kern terug gebracht. God heeft je lief. Zo lief dat hij de hemel naar de aarde trok en er verdwaalde om jou aan te kijken. God heeft je lief. En hij kijkt je aan met de ogen van Christus, die woont te midden van hen die aan het kortste eind getrokken hebben. Als zij jou aankijken met hun niet te beantwoorden vragen, of met hun vermogen om jou te belazeren, dan kijkt altijd ook Christus jou aan. Zij herinneren jou er aan dat je bent aangezien, dat je bent lief gehad.
Er zijn twee plekken om aan hem herinnerd te worden: Hier in de kerk en daar in de wereld, te midden van hen voor wie het mens zijn een probleem geworden is. En mocht je daar overmand worden door schuldgevoel en afkeer, zodat je op slot gaat en je onttrekt aan het maatschappelijk debat over rijkdom en armoede, herinner je dan wat in de kerk nog verkondigd wordt dat je bent aangezien, dat je bent liefgehad. Voor nu en altijd ontwapend. Bevrijd van elk excuus om het maar niet te hoeven hebben over politieke en economische keuzes. En hoe ingewikkeld het debat ook moge zijn en gevoerd moge worden op het scherpst van de snede, altijd weer is er de eenvoud die het draagt: God heeft je aangezien. God heeft je lief gekregen.
IV
De rijke man uit het evangelie zal nooit meer van zijn rusteloosheid af komen. Hij heeft geprobeerd die te bestrijden met het doen van goede daden. Toen dat niet hielp, rende hij naar Jezus toe. Maar hij moest daar weer vandaan van zichzelf omdat Jezus hem te veel werd. Sindsdien wandelt hij rusteloos rond als een aangeschoten dier. Met heimwee naar die blik van de jager. Voor altijd getekend door zijn liefde.
Herkent u hem? Ooit kom je terug op het punt waar je nee hebt gezegd. Dan zal het werk van de liefde voltooid zijn. Dan zal alles zijn recht gezet. Onmogelijk, zegt u? Troost je. Bij God is immers niets onmogelijk?
In de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Amen.
|