|
Jesaja 59: 9 – 19
Marcus 10: 46 – 52
I
Waar gaat het naar toe met deze wereld? Onze grootouders hebben zich die vraag vast ook gesteld. Hij is niet nieuw. Maar nu is het onze vraag. En dat is wel nieuw. En het stelt me niet gerust dat het al een oude vraag is. De tijd dringt. De aarde is niet bestand tegen de welvaartswens van een wereldbevolking die explosief groeit. Toen we in het Westen nog alleen waren met die wens, wisten we dat eigenlijk al. Maar nu de hele wereld zweert bij economische groei en expansie, wordt het ons bang te moede. En de tijd ontbreekt ons om de vraag waar het naar toe gaat werkelijk onder ogen te zien.
Eerst deze crisis bestrijden, zeggen de wereldleiders. Uit alle macht gaan ze de duivel te lijf met de middelen van de duivel. Miljarden worden er in de wereldwijde geldeconomie gepompt, die zelf de oorzaak is van deze crisis. Maar we moeten toch wat? Op microniveau is het niet anders. Waar zouden we de rust moeten vinden om de vraag toe te laten waar het naar toe gaat met ons? Dagelijks blussen we onze eigen brandjes. Gewoon gaande blijven is al een kunst. En hopen dat je niet door het leven onder de voet gelopen wordt en langs de kant van de weg terecht komt.
Zou dit een plek kunnen zijn om naar toe te gaan met die grote vraag? En dan niet als vluchtplek (ja, dat mag deze plaats ook zijn op z’n tijd), maar als rustplaats en plek van uitzicht? Vanmorgen vinden wij herkenning in het Woord van God, in de verzuchting: “Wij hopen op een sprankje licht, maar we dolen in het donker. We tasten als blinden langs de muur, we tasten rond als iemand die niets kan zien. Op klaarlichte dag struikelen we alsof het schemert.” (Jes. 59: 9 e.v.)
II
Laten we de vraag waar het naar toe gaat met deze wereld maar meenemen naar het evangelie van deze zondag. En daarbij onszelf, in het nauw gebrachte mensen.
Op het eerste gezicht is het evangelie overzichtelijk. Er is maar een blinde, die heeft moeten afhaken en aan de kant van de weg terecht gekomen is. En met hem komt het ook nog eens goed. De rest was al onderweg. Pelgrims die weten waar naar toe: “Zie, wij gaan op naar Jeruzalem..” (Mc. 10:33). De weg tussen Jericho en Jeruzalem is er een zonder afslagen. Het is een weg omhoog. Verdwalen kun je niet. Waar gaat het naar toe met ons? Naar Jeruzalem natuurlijk. Stad van God. Stad van vrede.
We hunkeren naar overzichtelijkheid. Is dat ook niet het gelijk van de populisten met hun schreeuwerige simpele oplossingen voor complexe problemen? Ze erkennen de hunkering van mensen naar overzichtelijkheid. Ze houden niet langer de schijn op dat we het in crisistijd wel redden met het “enerzijds, anderzijds” van wijze en ervaren bestuurders. Populisten hebben geen oplossingen. En de mensen die achter hen aan hollen weten dat. Maar heeft de gevestigde orde die oplossingen wel? Mensen hollen achter populisten aan omdat ze de overzichtelijkheid missen, omdat ze als blinden tasten langs de wand. Hun geschreeuw is ten diepste angst, een ongerichte roep om ontferming. Populisten zijn in de kerk niet populair. (God zij dank, zou ik willen zeggen.) Maar komt dat ook niet omdat de kerk een andere vluchtroute aanbiedt: God als antwoord op alle vragen en problemen. God als antwoord op onze hunkering naar overzichtelijkheid. Om maar niet hardop te hoeven zeggen dat we als blinden tasten langs de wand en dat we struikelen midden op de dag. Want wie zou ons immers bij de hand kunnen nemen?
III
Even buiten Jericho zit een blinde langs de kant van de weg. Van de weg geraakt, zou je kunnen zeggen. De weg kwijt. Iemand die niet meer kan doen alsof. Hij roept niet meer “Goed!” als je vraagt hoe het met hem gaat. Hij steekt zijn lege open hand uit en krijst: “Eleison!” – “Ontferm je!” In de hoop op een aalmoes. Dit is er van hem geworden. Geen geveltje meer om zich achter te verstoppen.
Goed om te onthouden trouwens dat het “Kyrie eleison!” van de kerk, van de straat afkomstig is. Vooral voor die mensen die zijn opgevoed bij: “Niet klagen, maar dragen. En bidden om kracht.” Alsof bidden en klagen elkaar zouden uitsluiten. Alsof het gebed tot God van onze kant ergens anders zou kunnen beginnen dan bij de schreeuw om ontferming. “Ja, we staan met lege handen voor God,” fleemt de vrome. “Maar graag een beetje netjes,” denkt hij er bij. Hoeveel mensen zouden hier zijn die zo geleerd hebben zich koest te houden. Tot hun lijf er pijn van ging doen.
Als de blinde hoort dat Jezus van Nazareth er aan komt, heft hij geen kerklied aan, maar begint te krijsen. “Zoon van David, Jezus, heb medelijden met mij!” Hij koppelt zijn straattaal aan een quote uit de Psalmen. Dezelfde psalm die wij gezongen hebben: “Hij zal de redder zijn der armen, hij hoort hun hulpgeschrei. Hij is met koninklijk erbarmen hun eenzaamheid nabij.” (Ps. 72) – Zoon van David. Deze van de weg geraakte mens gaat niet aan zichzelf voorbij. Hij cijfert zich niet weg. Het Woord van God en de schreeuw van de blinde sluiten elkaar niet uit, maar in. Ze trekken op elkaar aan. Nog nooit heeft hij zo kunnen laten zien dat hij nergens meer is, als nu.
Is het een wonder dat de pelgrims snauwen dat hij z’n kop moet houden? Zij spelen hun heilig spel. Zij zingen hun angsten weg met psalmen en gezangen. Even niet als blinden tasten langs de wand, maar ’t hoofd omhoog, het hart naar boven. Op naar Jeruzalem waar God hen wacht. En dan is daar die blinde die hun heilig spel verstoort. Hij krijst door hun psalmgezang heen. Hij legt de diepten bloot, de vertwijfeling, de angst dat je nergens bent als het er op aankomt – al die dingen waar je liever je ogen voor sluit. Ja, wie is hier nu eigenlijk blind? De man langs de kant van de weg? Of het volk dat speelt te weten waarheen het onderweg is?
Misschien hadden ze net psalm 72 aangeheven: “Laat ons de grote naam bezingen van Hem die Israel leidt.” En toen was daar die blinde die krijsend zichzelf citeerde én de psalm. Niet met het oog op Jeruzalem gericht (“Volhouden, nog maar een etappe te gaan!”), maar met zijn nergens zijn naar Jezus toegekeerd: “Zoon van David, heb medelijden met mij!”
IV
Je moet (om met een beroemde populist te spreken) wel knettergek zijn om in Jezus van Nazareth de Zoon van David te herkennen. Er is weinig koninklijks aan hem te ontdekken. En je moet wel heel veel vertrouwen hebben om in hem te zien die heersen zal van zee tot zee. Of dat de grote bankiers van vandaag hun bonussen aan hem zullen afdragen en hem dienstbaar zullen zijn – zoals in de psalm wordt bezongen. Ooit van een koning gehoord die aan een mens die nergens meer is vraagt: “Wat wil je dat ik voor je doe?” (vs. 51)
Toch is hij degene voor wie wij gaan. Wij bidden met de psalmdichter dat hij zal heersen van zee tot zee. Wij bidden dat hij mag leven zolang de zon bestaat, ook al is hij gestorven. Wij bidden dat hij mag zijn als regen die valt op kale akkers. Wij bidden, niet met ons groot geloof, niet met de moed der wanhoop. Maar met de wanhoop zelf, met het gat in ons bestaan, met de schreeuw van de blinde: “Kyrie eleison!” – “Heer ontferm u over mij!”
Het leven dat past bij dit geloof, is dicht bij de straat durven blijven. Kleinschalig durven leven. Met de rem er op. En met oog voor wie bij God niet weet hoe het met hem verder moet. En durven antwoorden als dan iemand aan je vraagt: “Heb jij dat ook wel eens?” De Zoon van David loopt niet aan ons voorbij als wij als blinden tasten langs de wand. Hij deelt onze wanhoop. Hij roept ons op onze stem te verheffen en het maatschappelijk debat niet uit de weg te gaan. Zo worden wij genezen en leren wij opnieuw kijken.
En als het dan toch vastloopt op wereldschaal? Als we daar de duivel nog slechts met zijn eigen middelen weten te bestrijden? Wat als we van crisis naar crisis gaan, tot het gaten vullen niet meer gaat? Dan zij dat zo.
Geborgen in de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen
|