|
Leviticus 19: 1 – 2 . 9 – 18
Marcus 12: 28 – 34
I
Bij nacht sprak de gek de hele buurt toe vanaf zijn balkon aan de achterkant van ons huis. De ene keer blafte hij een deel uit een redevoering van Adolf Hitler, de andere keer reciteerde hij Kerklatijn als een prelaat. Maar het meest populair was het “Hoor Israël! De Heer is onze God. De Heer is één.” Hij sprak het uit met een rollende ‘r’ en lange uithalen. Alsof een zware dominee aan het woord was.
Zijn woorden kwamen letterlijk uit de hoogte. Zo kon de hele buurt mee genieten. Figuurlijk dan. Want uit verschillende hoeken werd er terug geschreeuwd: “Houd je kop! Het is nacht!”
“Hoor, Israël!”, klinkt dat ook niet alsof Majoor Kees zijn manschappen toespreekt: “Mannen, luisteren!” De spreekrichting is duidelijk, van boven naar beneden. Zou het één van de redenen kunnen zijn dat de betekenis van het eerste gebod is zoek geraakt? We zijn volwassen geworden in ons geloven. We laten ons geen directieven meer opleggen. Alleen in noodgevallen is God nog boven ons, als wij het niet meer weten. Voor het overige kan hij overal en nergens zijn.
Wat er nou precies bedoeld wordt met het eerste gebod – de HEER is onze God en hij is één? Het spreekt niet meer voor ons. Of we zijn er doof voor geworden. Het is maar goed dat Jezus op het eerste gebod het tweede laat volgen: “Heb je naast lief als jezelf.” Want dat kan ieder mens snappen. En dan maar hopen dat het eerste gebod er zo’n beetje in meekomt, als wij ons best doen het tweede inhoud te geven.
II
Vandaag klinkt het grote orgel weer. We hebben ons prima gered met het koororgel. Maar we hebben uitgezien naar deze dag waarop het orgel vanuit de hoogte de kerkruimte weer vult met zijn klanken. Nog eens geaccentueerd door de engelen met hun bazuinen.
Ja, hoe bij de tijd is dit instrument eigenlijk nog? Heeft het niet meer met het eerste gebod – “Hoor Israël!”, dan met het tweede – “Heb je naaste lief!”? Orgelmuziek kan een mens verwarren en ontregelen. Het kan je te veel worden als je moe bent en je klein voelt. De eerste keer dat ik de meest bekende orgelcompositie van Bach hoorde (Toccata en Fuga in D-mineur), was dat als achtergrondmuziek bij de beelden van een vulkaanuitbarsting. Welk instrument zou bijvoorbeeld beter de openbaring van God op de berg Sinaï kunnen vertolken? “Op de derde dag, bij het aanbreken van de morgen, begon het te donderen en te bliksemen, er hing een dreigende wolk boven de berg, en zeer luid weerklonk het geschal van de ramshoorn. Iedereen in het kamp beefde.” (Exodus 19: 16)
Een vrouw die na lange tijd opnieuw de weg naar de kerk probeerde te vinden, stelde de stap steeds weer uit. Toen ik haar vroeg of ze wist waardoor dat kwam, vertrouwde ze me toe: “Ik ben bang voor het orgel.” Haar huiver voor God en de donkere kanten van het geloof, had ze in haar kindertijd op de klanken van het orgel geprojecteerd. En er is weinig fantasie voor nodig om er de zware dominee bij te zien, die met een stem als een oordeel vanuit de hoogte het “Hoor, Israël!” sprak.
Orgelmuziek is onder jonge mensen niet populair. “Niet sexy,” aldus een van onze organisten. Orgelmuziek is hen vreemd. Even vreemd als de kerken waar ze te vinden zijn. Even vreemd ook als de “Tale Kanaäns” die daar gesproken wordt. Minder religieus en lenig van geest zijn ze bepaald niet. Maar die ene stem uit duizenden horen en je er door laten gezeggen, dat is van een andere orde. En als wij ons al van die stem hebben afgekeerd, omdat luisteren naar één stem niet meer van deze tijd is, hoe zouden jonge mensen die dan moeten kunnen horen? Ze voelen van alles, maar dat is toch iets anders dan het horen van de stem van de ENE.
Hebben we die stem niet te gemakkelijk aan de zware hap toevertrouwd? Is die stem werkelijk de stem van een almachtig heerschap dat van bovenaf zijn wil oplegt? Of heeft die stem iets te zeggen, wat we niet willen horen of niet aan kunnen? Zoals de kenner van orgelmuziek weet dat het instrument meer is dan van gisteren, dat je het ermee moet durven wagen en je erdoor laten verwarren en ontregelen.
III
Levend met de Thora, brengt Jezus het “Hoor, Israël!” terug op straat. Daar waar het hoort, tussen de mensen. Zoals het staat geschreven: “Spreek er steeds over, thuis en onderweg.” (Deut. 6:7) En hij verbindt daar de liefde tot God met de liefde tot de naaste. Liefde, een woord dat bij ons wel bellen doet rinkelen. Maar dat we, wie weet, opnieuw moeten leren verstaan en doen. “Hoor!”
Het is een misverstand om te denken dat het eerste gebod aan heiligheid inboet als het op straat wordt gebracht. Want de Bijbelse liefde is een kracht die de wereld doet beven. Daar kunnen wij ons weinig bij voorstellen. Want wij hebben de liefde ingekapseld en tot ons bezit gemaakt, zoals we ook met God hebben gedaan. Wij beperken onze liefde tot wie ons lief zijn.
De Thora spreekt andere taal: “Heilig zult ge wezen, want heilig ben ik, de ENE, God over u!” (Lev. 19:2) Met valse bescheidenheid zeggen we: “Ik? Heilig? Nee, dat is onhaalbaar voor mij.” Maar het is natuurlijk verzet. Verzet tegen “God over u”. Verzet tegen een liefde die ons verwart en verontrust. Verzet tegen een kracht die het u niet gunt dat u zich terug trekt op eigen erf en de boel de boel laat. Israël wordt als volk aangesproken. En u als gemeente van Christus. Waarbij ík niet kies, maar gekozen wordt en in de ruimte van een gemeenschap wordt gezet waar ik niet in geboren ben.
Dan kan ik niet meer heen om mensen die de vruchten van de aarde worden ontzegd. Dan kan ik niet meer zeggen: “Die euro winst in mijn portemonnee is van mij.” Dan vergaat het ons als de boer die de hoeken van het maaiveld moest laten staan voor de gebogene en de zwerver. Niet als liefdadigheid. Maar als het recht van de geringe. Wat dat met liefde te maken heeft? Met onze liefde niet zo veel. Hoe zou je het kind lief moeten hebben dat ergens in China jouw spijkerbroek heeft genaaid?
Maar met Gods liefde heeft dat des te meer te maken. Let op hoe na elk gebod in Leviticus waarin de geringen een gezicht krijgen, zonder enige overgang klinkt: “Ik, de Ene, ben uw God!” Hij heeft zich met hen verbonden zonder dat iemand daar tussen kan komen. Zo komt de heiligheid op straat terecht, en vonkt die als ooit op de Sinaï. Als een oordeel over de wereldwijde verhoudingen, waarin de verliezers onzichtbaar worden gemaakt. En als onverbrekelijke trouw aan mensen voor wie het menszijn een probleem geworden is. Als Israël belijdt: “De HEER is één.”, dan betekent dat twee dingen: Hij is één met hen. En van zo’n God is er maar één. Eén die zich onttrekt aan alle eisen die wij aan een God stellen.
De oproep “Hoor, Israël!” komt niet uit de lucht vallen. Hij vindt zijn grond niet in de godenhemel. Eerder aan de onderkant van de geschiedenis. Want in de oproep “Hoor!” klinkt de echo van wat we in het boek Exodus horen uit de mond van deze God, die zich aan Mozes openbaarde: “Ik heb het schreeuwen van mijn kinderen gehoord, voor het aanschijn van hun drijvers. Ja, ik heb weet van hun smarten. Ik daal af. Ik zal bevrijden.” (Ex. 3:7) Wie de stem van deze God wil verstaan, zal moeten bukken net als hij en zijn oor te luisteren leggen op de straat.
IV
Zo, nu weten we wat het betekent dat de Heer onze God is en dat hij één is. Dat het ons verwart en ontregelt, is niet erg. Het kan niet anders. Het is inherent aan Gods heiligheid.
Van de gek weet ik dat hij is opgehouden zijn balkon te gebruiken als spreekgestoelte. Dat hij is opgehouden, heeft te maken met mensen die door de laag van rollen heen zijn kwetsbaarheid hebben gezien en hem heel hebben gelaten. Zodat hij niet meer naar boven hoefde te klimmen om zich te kunnen laten horen.
Of de vrouw die bang was voor het orgel haar stap richting de kerk ooit nog gezet heeft, weet ik niet. Maar in mijn gedachten is ze hier en overwint ze haar angst. Omdat het heilig instrument daar boven de stem weet te vertolken van God die haar gehoord heeft.
In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
Amen.
|