Home Overwegingen Zondag 29 november 2009 - ds. Evert Jan Veldman
Zondag 29 november 2009 - ds. Evert Jan Veldman PDF Afdrukken E-mailadres
Geschreven door Ds Evert Jan Veldman   
zondag 29 november 2009 15:28

Zacharia 14: 4 – 9

Lucas 1: 1 – 25

 

I

Stelt u zich eens voor dat wij de priester Zacharias zijn. Niet u, niet ik, niet zij of hij. Maar wij. Wij, als gemeente van de Nieuwe Kerk. Dat is een lastige. Je identificeert je makkelijker als eenling met een personage uit een verhaal. Je leeft met hem mee. Je herkent haar probleem. Zo wordt het jouw verhaal.

 

Maar nu zijn we samen Zacharias. Zoals we samen het Lichaam van Christus zijn. Dat beeld is ons wel vertrouwd. Hoewel het steeds minder spreekt. Want ik ben ik en jij bent jij. En geloven is steeds meer een persoonlijke aangelegenheid geworden, een privézaak. Maar nu even niet. Wij zijn samen Zacharias. In de geest van wat Petrus in zijn brief schrijft: “Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht.” (1 Petrus 2:9)

 

II

We zijn al oud. Zo’n tweeduizend jaar. En eigenlijk nog veel ouder, als we beseffen dat we als kerk geënt zijn op de stam van Israël. We hebben Abraham als vader gekregen. Vanaf het begin van zijn evangelie zinspeelt Lucas daarop. De priester Zacharias lijkt op Abraham, zoals zijn vrouw Elisabet op Sara lijkt – oud, kinderloos en veracht. Als Zacharias aan de engel vraagt: “Hoe kan ik weten dat het waar is?”, hoor je Abraham spreken met God, die hem in het holst van de nacht naar de sterren laat kijken – zo zullen je nakomelingen zijn, niet te tellen.

 

 

Wij zijn Zacharias. De ruimte waarin wij kerken en letterlijk dienst doen, bevestigt onze respectabele leeftijd. Geslachten gaan, geslachten komen (Hoewel? Hoe lang zal dat nog duren?). Gebeden van lang geleden stutten deze ruimte. Dat wij ons daarin mogen voegen, daar zijn we dankbaar voor. Het vormt een tegenwicht tegen onze twijfels en onze waan van de dag.

 

Maar wat verwachten we nog van onszelf? We doen ons ding op zondag met een bewonderenswaardige vasthoudendheid. De hijgerigheid om populair te zijn, hebben we tot nu toe buiten de deur gehouden. Hier vermoeden we Gods aanwezigheid. Hier klopt Gods hart met regelmaat. En van hieruit doen wij ons best te leven, onkreukbaar en naar Gods geboden. Zoals Zacharias en Elisabet. Denk niet te min van ons. Het is wat waard dat wij er zijn in Stad!

 

III

We hebben het evangelie daar wel bij nodig, om niet te min van onszelf te denken. Wat stellen we immers voor? We hebben er niks meer te koop. De wereld gaat zijn eigen gang. Inventief en verwoestend tegelijk. Er wordt welvaart getoverd en zakken gerold. Wat zouden we er anders tegen uit kunnen richten dan gewoon ons ding doen als kerk. Wij zijn klein en de wereld is groot.

 

Lucas speelt met dat thema een ernstig spel. Hij gebruikt daarvoor het werkwoord ‘geschieden’. U weet wel, uit het kerstverhaal: “En het geschiedde..” Dat is Bijbeltaal, ik weet het. En dat moeten we vooral zo houden. In de wereld gebeuren de dingen – en daar gebeurt van alles en nog wat. Maar in de bijbel geschiedt het – niet van alles en nog wat, God geschiedt daar. Wil je weten wat dat betekent, dan moet je de verhalen lezen. En dan zul je zien dat het om nietszeggende mensen gaat die in de wereld een gezicht krijgen: “Het geschiedt in de dagen van Herodes, als deze koning over Judea is: een zekere priester, genaamd Zacharias, heeft een vrouw – haar naam is Elisabet. Zij wandelen in de geboden van de Heer. Beiden zijn in hun levensdagen al ver heen. Het geschiedt als hij de priesterdienst doet.” (Lucas 1: 5 e.v.) Zacharias en Elisabet? Nooit van gehoord.

 

Wij zijn vanmorgen Zacharias. Wij doen ons ding op zondag. Het stelt allemaal niet meer zo veel voor. Gestaag smelt de kerk weg uit Stad. Met weemoed wordt in onze kringen over volle kerken gesproken. Toen gebeurde het nog! En ondertussen wennen we er aan dat jongeren hun heil in de wereld vinden. Want daar gebeurt het! Niet hier. Niks te beleven. En als we eerlijk zijn: Ach, wat verwachten we zelf nog van wat we hier doen? Het is vertrouwd, maar ook niet meer dan dat. En buiten deze kerk in Stad is goed te leven.

 

IV

Maar als Zacharias bezig is zijn ding te doen, geschiedt het. Een engel laat zich aan hem zien, rechts van het altaar. Zacharias is met God bezig. Maar hij wordt daarbij gestoord. Door wie? Door God zelf. Preciezer gezegd: door Gabriël. Gabber van God is zijn naam. De gabber stoort de priester in zijn ernstig heilig spel.

 

Dat is de grote grap van wat wij doen en wie wij zijn. Dat wij hier door God gestoord worden, terwijl wij met Hem bezig zijn. Wij goochelen met ons geloof, met onze vroomheid, met de traditie en hopen dat God tevoorschijn komt uit de heilige hoge hoed. Soms zijn we er dichtbij, maar meestal lijkt het er niet op. Een beetje als de tragische goochelaar, die Toon Hermans ooit speelde. Wie herinnert zich niet de hulpeloze woorden richting de juryvoorzitter: “Duif is dood, meneer.”?

 

Dat is Zacharias. Dat zijn wij. Maar weet u hoe groot u bent in uw kleinheid? God maakt geschiedenis met ons. Wat wij hier doen, dat doet er toe in Stad. Niet omdat wij in religiositeit alle Stadjers overtreffen en zo verschrikkelijk anders zijn dan zij. Zelfs niet omdat wij ons stinkende best doen om cement in de samenleving te zijn en de boel bij elkaar proberen te houden. Ook niet vanwege onze trouwe kerkgang, al komt het daar wel in de buurt.

 

Want dit is de plek, die God heeft uitgekozen om zich aan ons te openbaren. Hij komt niet uit onze hoge hoed. Maar daarnaast. Van elders. Niet uit ons gevoel. Niet uit een bedachte hemel. Niet op verzoek. Maar uit zichzelf. En als hij komt, dan schrikken wij ons rot. En als hij spreekt, dan zeggen wij: “Hoe kan ik weten dat het waar is?” Ja, wij willen toetsen of het waar is wat hij zegt. Want we zijn niet gek. En we zijn mensen van deze tijd. Maar hebben we wel eens geprobeerd onze toverstaf neer te leggen en weg te kijken bij onze hoge hoed, om te horen wat vlak bij ons tegen ons gezegd wordt, vanuit het Woord? Hoe het ons aanspreekt en uit balans fluistert. Hoe het tegenspreekt en ons open breekt.

 

Wij geloven niet wat onze oren horen, dat vreugde en blijdschap ons ten deel zullen vallen. Wij geloven niet in het hoge Woord dat de laatsten de eersten zullen zijn, dat God met Elisabet en ons geschiedenis zal maken. En dus niet die megalomane Herodes. Niet Dubai. En niet Wall Street. En we geloven zeker niet dat wij in staat zijn om in Stad die stem te vertolken.

 

V

Buiten staat het volk op ons te wachten. Opgeslokt door zorgen en begeerten. Heen en weer geslingerd tussen vrijheid en gevangen zijn, tussen “Wie doet me wat?” en “God, wat ben ik bang.”. Mensen zoals wij. Want wij zijn natuurlijk niet alleen Zacharias. Wij horen ook bij dat volk dat buiten staat te wachten. We weten niet wat we hen moeten zeggen. Want wat we hier te horen krijgen, is ook onszelf te veel. We kunnen het niet geloven. Hoe zouden we het dan in godsnaam aan anderen kunnen vertellen.

 

Ons rest gebarentaal. Zoals het restte voor Zacharias toen hij naar buiten kwam. Gebaren maken in de wereld. Goed doen met onze handen. Op kleine schaal. En zo verlangen wekken in de wereld en bij onszelf. God weet wanneer wij weer spreken mogen van zijn grote daden. God kent de dag waarop de wereld zeggen zal: Er is geschiedenis gemaakt.

 

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.

 

Amen       

 


Copyright © 2009-2011 Nieuwe Kerk Groningen. Alle rechten voorbehouden.