|
Lucas 2: 15 – 20
Johannes 1: 1 – 5 . 14
I
Laten we hoog inzetten, vanmorgen. En niet bang zijn dat we het niet kunnen waar maken. Ja, het zijn grote woorden die we in de mond nemen. En als je ze gaat wikken en wegen, komt er al gauw geen woord meer bij je uit. Vergeet het wikken en wegen! Laat wat u waar kunt maken maar in de tas. Zing uit volle borst het kerstlied: “Zoon van God, o Zoon van God, in vlees en bloed, die de mens van nood en dood genezen doet.” (Gez. 137). Deze grote woorden mogen vanmorgen. Ze willen gezongen worden. Zodat ze bij u binnen kunnen komen. Woorden die twee dingen tegelijk doen: God eren en jou op tillen uit het drijfzand van zelfredzaamheid.
II
“In het begin was het Woord,” zegt Johannes. Niet jóuw woord dat zegt: “Ik weet het nog zo net niet.” Maar het Woord dat zich niet laat bevragen of in twijfel trekken. Het Woord dat het begin van alles is. Het spreekt jou aan. Het roept jou wakker uit je isolement. Pas als je aangesproken wordt door dit Woord, weet je je mens. Het is als met een moeder die een kind aanspreekt en zijn naam met liefde noemt, wachtend op zijn eerste woordje. Tot het uiteindelijk ook “ik” leert zeggen. En weer iets later: “Ik weet het nog zo net niet.” Want elke denker heeft een moeder. Elk kritisch mensenwoord is een antwoord op het Woord van het begin dat op jou gericht is. “Jij, ja jij!”
Die aanspraak komt bij God vandaan, zegt Johannes. Die aanspraak is God zelf. Hogere filosofie op de kerstmorgen, wie zit daar op te wachten? Weinigen, denk ik. Maar velen wachten op die aanspraak, hunkeren naar een woord dat hen optilt, naar een verhaal waarin ze zichzelf niet meer hoeven te redden, maar in een kring mogen staan waarin de anderen je missen als je weg kruipt. Als er dan iemand is naast jou, die dat niet laat gebeuren – pijnlijk heilzaam –, dan is dat niet zomaar een mooi gebaar. Nee, dan gebeurt God, volgens Johannes.
Johannes is in gesprek met zijn tijdgenoten. Filosofen in de culturele centra van de wereld breken hun hoofd over het ontstaan van de kosmos en de wetten die de boel bij elkaar houden. Een goddelijk principe moet volgens hen daaraan ten grondslag liggen. Oorzaak van alle leven. Ze noemen het de Logos – Woord, Ratio, Wijsheid.
Voor Johannes is die Logos Jezus Christus. Hij is het Woord dat mens geworden is. En dan niet de mens die alles denken kan en vatten, maar de mens die de ander zoekt; die vraagt: “Waar ben je?”; “Mag ik je naaste zijn?”. Deze Logos is het die aan het begin van alles staat en de wereld niet overlaat aan de krachten van de chaos.
Johannes haalt de Logos als het ware weg uit het filosofisch debat. Hij ziet die afdalen tussen de mensen met weinig “snap”, buiten de culturele centra van de wereld. Mensen met weinig tijd om te filosoferen omdat elke dag een kwestie is van overleven. Johannes kan niet om hen heen kijken. “Heb God lief boven alles en de naaste als jezelf,” dat is voor de Jood Johannes het ordenend principe dat alles bij elkaar houdt. Precies dat ziet hij belichaamd in Jezus Christus. Hij is het levend Woord. Geen denkwoord, maar een doewoord. Een liefdesverklaring van God zelf, aan mensen die het koud gekregen hebben in deze wereld.
III
Zo wordt het toch nog kerst vanmorgen. Want de gedachten van Johannes zijn mooi en diepzinnig, maar we missen bij hem het kind in de kribbe, de herders in het veld en de engelen in het hemels licht. De mensen die het koud gekregen hebben in deze wereld, zien we toch beter voor ons in het geboorteverhaal bij Lucas.
Vreemd hoe we van ze zijn gaan houden; van die man en zijn hoogzwangere vrouw die geen tijd hebben om kerstfeest te vieren omdat ze maar hadden te gaan vanwege een decreet uit Rome en dan hun kind geboren zien worden langs de kant van de weg, omdat er voor hen geen plaats was in het nachtverblijf van de stad. Vreemd hoe we van ze zijn gaan houden; van die herders in het veld die van alles waren behalve een vreedzame familie, nachtvolk letterlijk en figuurlijk. “Erst kommt das Fressen, und dann die Moral”. Aan eten was er al gebrek, aan moraal nog meer. Zodat het getuigenis van een herder voor de rechtbank niet telde.
Vreemd hoe we van ze zijn gaan houden. Het jaar door is de aanblik ons te veel van zwangere vrouwen op de vlucht. En we hebben onze zakken vol van het volk dat maar wat aan rotzooit aan de onderkant, ook al snappen we nog zo goed dat elk mens ook het product is van zijn opvoeding. Maar met kerst is dat anders. Dan duiken we de nacht in om het verhaal van Lucas te horen. En als het even wil, dan komen we op kerstmorgen nog eens terug.
IV
Ja, we weten wel dat we het verhaal geromantiseerd hebben. En dat we dat volgend jaar weer zullen doen. Maar dat is niet de echte reden waarom we van de herders zijn gaan houden en van Jozef en Maria; en waarom we niet bij hen wegkijken, maar het liefst er bij zouden willen zijn. De werkelijke reden is dat wij vermoeden dat God echt in het verhaal zit en dat hij bij elkaar brengt wie het hele jaar door zich op eigen kracht staande proberen te houden. Met of zonder moraal. En met meer of minder succes.
Dat vermoeden vindt grond in het geboorteverhaal volgens Lucas. Je zou kunnen denken dat God bijna tastbaar wordt in onze ontroering om het kind, in het goede kerstgevoel en de wensen die daarbij horen – vrede op aarde, de wereld een grote familie. Maar eigenlijk hopen we dat dat niet zo is, omdat we zelf het beste weten hoeveel lucht er zit in ons opgeklopte gemoed. Het zakt zo maar weer in. En misschien is dat bij jou al gebeurd, omdat de kerstnacht weer niet bracht wat jij er van verwachtte. We hopen zo dat wat de herders deden meer was dan kindje wiegen. En dat God een andere weg gevonden heeft om zich aan ons te laten zien dan de weg van ons vrome gemoed.
Dat is gelukt, vertelt Lucas. Daarom schrijf ik ook niet dat de herders naar Bethlehem gingen om kindje te wiegen. Ze zeggen: “Komt, laten we naar Bethlehem gaan en zien het woord dat is geschied en dat de Heer ons heeft bekend gemaakt.” (Luc. 2:15) Mooier Nederlands kan ik er niet van maken. En in een kerstspel zeg je zoiets niet. Maar dit is wel wat ook Johannes wilde zeggen, dat het helemaal uit God zelf komt, dat hij niet wilde blijven roepen uit de hoogte dat hij van mensen houdt. Hij wil het fluisteren aan ons oor. Hij wil bij ons waken in die nacht, die zich niet laat versieren met letlampjes. Die nacht waarvan wij allen weten, maar niet van willen weten, omdat het er zo koud is en zo eenzaam, zo godvergeten kaal en plat. Hij wil doormaken wat jij doormaakt. Zo wordt geschiedenis gemaakt en niet anders.
V
Blijf maar gewoon je feestje vieren. Het hoort erbij en het wordt je gegund. Maar weet dat als de feestelijke bubbels doodslaan en het vroom gemoed weer inzakt en nacht weer gewoon nacht is, dat God juist dan heel dichtbij is en geschiedenis maakt. Niet zonder jou. Niet zonder jou. Niet zonder jou – zoals Shaffy het zong.
In de Naam van de vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen
|