Home Overwegingen zondag 27 december 2009 - ds. Evert Jan Veldman
zondag 27 december 2009 - ds. Evert Jan Veldman PDF Afdrukken E-mailadres
Geschreven door Ds Evert Jan Veldman   
zondag 27 december 2009 10:35

Jesaja 61: 10 – 62: 3

Lucas 2: 33 – 40

 

I

Derde kerstdag noemde mijn vader deze dag. Misschien wel om zo lang mogelijk het kerstgevoel bij zich te houden. Maar de kalender is onverbiddelijk. Het kerstfeest is over de datum. Even is de vrede op aarde tastbaar. Zo sterk is het geboorteverhaal van Lucas met het kind in de kribbe, de herders in de nacht en de engelen in het licht. Maar als de binnenste kring van het gezin, van vrienden en familie, zich weer opent, dan valt het donker weer op je. De verhoudingen in de wereld zijn niet veranderd en in Betlehem staat weer de muur tussen Israël en de Palestijnse gebieden. Natuurlijk, die muur stond er gisteren en eergisteren ook. Maar het verhaal van de vrede op aarde is zo sterk, dat je de muur bijna weg kon denken.

 

Wat nu? Lucas laat ons kennis maken met twee oude mensen, Simeon en Hanna. Van de laatste weten we zeker dat ze stokoud is. Bij de eerste denken we het erbij. Het zal de invloed van kerst nog wel zijn: Twee oude mensen en een kind, dat doet het wel goed. Ze staan op de drempel van de hemel, waar alles pais en vree zal zijn. In dat kind en op hun gezichten weerspiegelt zich al het hemels licht. Zoals we hebben gezongen de Lofzang van Simeon: “Nu laat u, Heer, uw dienaar in vrede heengaan, zoals u hebt beloofd.” Mooi toch?

 

Ja, zo gaat dat. Als de vrede op aarde op zich laat wachten en wij ons onmachtig weten om de oude wereld af te breken en een nieuwe te bouwen, die lijkt op wat de profeten voor ogen hadden, dan moet je toch ergens heen met je verlangen? Dan ga je naar God die in de hemel woont te midden van de engelen – we konden ze in de kerstnacht bijna aanraken. En na een leven lang verlangen, maak je dan uiteindelijk je laatste reis: “Nu laat u, Heer, uw dienaar in vrede heengaan, zoals u hebt beloofd.”

II

Maar horen we dan ook wat er staat geschreven? Elke zondag zeg ik aan het eind van de dienst: “Ga heen in vrede in de verwachting van de Dag van onze Heer.” Dan denk ik niet aan mensen die bij het verlaten van de kerk het leven laten op het Nieuwe Kerkhof. En u ook niet. U denkt aan koffie, aan uw plannen voor deze zondag, en misschien aan wat de uitstraling van deze dienst in Stad zou kunnen zijn. Allemaal heel aards.

 

Simeon is niet minder aards dan u. Een begeesterd mens, vertelt Lucas. Een die gaat voor deze aarde. Simeon betekent “horende”. “Hoor Israël”, zit in zijn naam besloten – de aanhef van de geloofsbelijdenis van Israël, het Sjema. Met de oproep God lief te hebben boven alles. Dat doet de Jood hier, op aarde. Hij kan niet wegkijken van de aarde, omdat God er niet weg gekeken heeft. Hier zal het gebeuren. Niet jaarlijks voor twee dagen. Maar voor eens en altijd. Dat Simeon de belofte heeft ontvangen dat hij niet sterven zou voordat hij de Messias zou hebben gezien, dat maakt hem nog niet oud. Ook discipelen krijgen in het evangelie die belofte terwijl ze in de kracht van hun leven zijn.

 

In de tempel is ook Hanna, stokoud – zij wel. Maar leeft ze daarom minder hier? Ze draagt de naam van de moeder van Samuël. “Begenadigde” heet ze. U weet wel, Hanna die volgens de priester niet spoorde vanwege haar aanhoudend gebed om een kind. Hanna, die bij de geboorte van haar kind het lied zong dat meezong in Maria’s hoofd toen zij haar lied aanhief: “De boog van de helden is gebroken en wie wankelen weten zich gesterkt.” (1 Sam. 2: 4)

 

Van de stokoude Hanna wordt gezegd dat ze altijd in de tempel was, waar ze god dag en nacht diende met vasten en bidden. Met dezelfde passie als haar voormoeder, bidt zij voor de bevrijding van Jeruzalem. Vanuit haar gemis als weduwe, 84 jaar lang, voelt ze het gemis aan van Jeruzalem. Ze is ervaringsdeskundige. 84, d.i. 7 x 12. Zeven is het getal van de volken die de aarde bewonen. Twaalf is het getal van de stammen van Israël. Hanna voelt mee met heel de aarde! Jeruzalem zal pas bevrijd zijn als het moederstad mag zijn voor Israël en de volken – ongedeeld en zonder muur. Hanna heeft geen tijd om aan de hemel te denken.

 

Simeon en Hanna belichamen samen het oude Israël. Lucas hecht er aan dat zij het eerst getuigen van dit kind dat het de beloofde Messias is. Simeon als zoon van het Tweestammenrijk, Hanna als dochter van het Tienstammenrijk. Hanna als vertegenwoordiger van alle verwachtingsvolle vrouwen, Simeon als vertegenwoordiger van alle hoopvolle mannen. Dit kind heelt het verscheurde Israël. Hij strekt tot eer van Israël, zingt Simeon. Hij is het licht dat de verblinding van alle volken zal wegnemen. 

 

III

Maria en Jozef waren verbaasd over wat van hun kind werd gezegd. Simon zegent hen en richt zich dan in het bijzonder tot Maria: “Jouw kind zal zijn tot een val en tot een opstanding van velen in Israël, tot een teken van tegenspraak. En het zal jou Maria als een tweesnijdend zwaard door de ziel snijden. Zo zal aan het licht komen wat er in mensen omgaat.” (Luc. 2: 34 e.v.)

 

De zegen gaat gepaard met pijn. Ik krijg die twee dingen niet bij elkaar. Zegenen is immers letterlijk een goed woord over mensen uitspreken. Zegenen is zeggen: “Mensen, veel geluk!” Woorden, bestemd om waar te worden. Daar past voor mij dat zwaard niet bij dat Maria door de ziel zal snijden. Daarin lijk ik op mijn vader die deze dag de derde kerstdag noemde, om de vrede nog een dag langer vast te houden voor ze weer te grabbel wordt gegooid in het grauw van alle dagen.

 

Dat God er voor gekozen heeft zichzelf aan ons te geven en plaats vond op de aarde, waar voor hem geen plaats was, dat zeggen we wel, maar dat gelooft toch geen mens? We sluiten met kerst de cirkel van onze binnenste kring. Want alleen daar is het kind van Bethlehem veilig. Maar dat God ongewapend de onveiligheid gezocht heeft (“Zijn wieg was een kribbe, zijn troon was een kruis”), dat wil er niet bij ons in. Alleen een grote God is immers in staat de heersers van hun troon te stoten en de geringen te verhogen – zoals Hanna en Maria zongen. Om nog preciezer te zijn: Alleen onze grote God is daar toe in staat, zo denken wij.

 

Het kind van Bethlehem roept tegenspraak op. Ook bij ons. Schaam je er niet voor. Dit kind, deze mens, deze God, zal het diepste uit de mensen omhoog halen aan schoonheid, liefde, maar ook aan duisternis en haat. Ook jouw liefde, jouw haat. Het moet aan het licht komen. Denk niet dat de wereld is op te delen in ‘wij’ en ‘zij’, in fatsoenlijk volk en barbaars tuig, in mensen die de hemel verdienen en mensen die naar de hel mogen lopen. Er is maar een hemel en dat is die van waaruit God is afgedaald en mens geworden is te midden van hen voor wie dat menszijn een probleem geworden is. Het is een hemel die verknocht is aan de aarde en van haar houdt. Het is een hemel die zegt: “Probeer niet te vluchten, ook niet naar mij. Je zult verdwalen want je kent me niet. Ik kom naar jou. Om alles recht te zetten.”

 

IV

Eindigen we vanmorgen met de laatste regels van een gedicht van Muus Jacobse dat als titel draagt: “Het kind” Misschien helpt het ons om niet te vluchten in hemelse sferen, maar om de wereld te omarmen.

 

“Nog altijd kan de wereld opnieuw beginnen.

In ieder kind kan het opnieuw beginnen
Zolang God kinderen in ons midden zendt,
heeft Hij zich nog niet van ons afgewend.”

 

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.

 

Amen.

 


Copyright © 2009-2011 Nieuwe Kerk Groningen. Alle rechten voorbehouden.