Home Overwegingen Zondag 10 januari 2010 - ds. Evert Jan Veldman
Zondag 10 januari 2010 - ds. Evert Jan Veldman PDF Afdrukken E-mail
Geschreven door Ds Evert Jan Veldman   
zondag 10 januari 2010 11:22

Jesaja 40: 1 – 11

Lucas 3: 15 – 22

 

I

Een fresco in de Martinikerk toont Johannes de Doper met een lam op de arm. Met zijn vrije hand wijst hij naar het lam. Zo zou hij niet misstaan hebben in de kleine optocht van de dopelingen door de kerk. Stel je voor: Eerst het kind met het water. Dan Johannes met het lam. En in hun spoor de dopelingen en hun dragers.

 

Zien we hem niet liever zo dan zwaaiend met zijn armen en priemend met zijn vinger: “Het kaf zal hij verbranden met onuitblusbaar vuur!”? Die Johannes voegt zich niet zo maar in het feestje dat wij hier bouwen. Met hem erbij heb je direct zo veel uit te leggen. Wie zijn dan het kaf? Zijn dat misschien mijn vrienden, die niets op hebben met de kerk, maar er graag bij zijn als ik iets te vieren heb dat er voor mij toe doet? Gaan zij er aan op de dag van het oordeel? Dat kun je aan jezelf niet eens meer uitleggen.

 

Nee, dan liever die andere Johannes met het lam op de arm. Een verwijzing naar de Johannes uit een ander evangelie, die Jezus naar zich toe ziet komen en dan zegt: “Daar is het lam van God dat de zonde van de wereld wegdraagt.” (Joh. 1:29) Dan valt er nog genoeg uit te leggen. Maar de toon is zo anders. Bijna teder wordt alles wat het goede in de weg staat uit de wereld weg gedragen. Een lam mag het doen.

 

Zo willen we het graag hebben. Want de doop als een “feel good” moment is ons weer net te weinig. God, die ons lieve kind uit het water trekt en hoog houdt, hij moet meer zijn dan de grote teddybeer waar je als kind troost bij zocht. Hij moet het ook buiten kunnen houden, waar de kou in je gezicht slaat. Die wereld is er. En het is onze wereld. God, laat het waar zijn voor mijn kind, dat niets het kan scheiden van uw liefde. Maar, gaat dat echt niet zonder donder en geweld, zonder kaf dat wordt verbrand, zonder onuitblusbaar vuur?

 

II 

Soms gaat een moeder voor haar kind door het vuur. Of een vader. Of een vriend voor een vriend. Dan is het geen heilig voornemen meer (“Ik zou..”, “Ik wil..”), maar barre werkelijkheid. Je gaat de wereld te lijf om die ene te redden. En je loopt schroeiplekken op aan je ziel. Niet een keer ga je over je grenzen. Maar steeds weer. Totdat je jezelf terug vindt, uitgeput. Zonder die ander op de kant te hebben kunnen trekken.

 

Eerst denk je: “Ik zal” – “Ik kan” – “Ik moet”. En: “Dit is goed!” En wat goed is moet het winnen. Maar gaandeweg merk je dat de werkelijkheid weerbarstiger is en dat de schuld voor het falen niet zo maar ergens neer gelegd kan worden. Wat goed is, staat niet van tevoren vast. En wat vandaag heilzaam was, hoeft dat morgen niet weer te zijn. Ondertussen schrijnt de pijn en brandt de liefde in je lijf, terwijl ze geen kant meer op kan.

 

Waarom vertel ik u dit? Omdat in beide lezingen vanmorgen het spanningsveld zit tussen het goddelijk geweld van “Ik zal” – “Ik kan” – “Ik moet”, en Gods kwetsbare nabijheid die een weg zoekt naar jou toe. Dat laatste klinkt vredig en mooi. Maar denk er alsjeblieft, als je dat aankunt, de pijn bij van die moeder bij wie de liefde voor haar kind haar slagkracht heeft verloren. Of de pijn van een vader, die dacht dat zijn liefde gezag had. Of de pijn van een vriend die ooit zeker wist dat er vriendschap voor het leven bestond. Denk bij Gods kwetsbare nabijheid, die een weg zoekt naar jou toe, dat onuitblusbaar vuur waarvan Johannes zei dat het het kaf verbranden zou, maar dat voorlopig slechts naar binnen slaat bij God zelf.

 

In de eerste lezing wordt opgeroepen de wildernis te temmen. De bergen moeten worden afgegraven, de dalen opgehoogd. Er moet een soort algehele nivellering plaats vinden. Want God komt er aan! De hoorders vragen zich af waar ze de kracht vandaan moeten halen. Het leven heeft hen geleerd dat ze gras zijn, dat verdort in de woestijnwind. Op z’n mooist een bloem, die morgen verwelkt. Wat moet je tegen de wildernis beginnen?

 

Als God dan uiteindelijk komt, met veel bombarie aangekondigd en met donder en geweld verwacht, dan komt hij in de geringe gestalte van een herder die zijn armen uitstrekt naar de lammeren, om die bijeen te brengen. Zijn zij dat niet, die niet bestand zijn tegen de wildernis? Zijn wij dat niet? “Hij koestert ze,” zegt de profeet, “en zorgzaam leidt hij de ooien.” (Jes. 40:11) Denk daarbij nog even aan die moeder.

 

In de tweede lezing gebeurt het zelfde. Johannes kondigt iemand aan die alles recht zal zetten. Te groot om je mee te meten. De dorsvloer van de wereld zal hij zuiveren. Grote schoonmaak zal hij houden. Een nieuwe wind zal waaien. Wat onontwarbaar was, het goede en het kwade, zal gescheiden worden. Verbranden zal het kwaad. Maar als hij komt, blijkt het een mens te zijn tussen de mensen, die niemand zou zijn opgevallen als de hemel zijn mond had kunnen houden. Maar de hemel lucht zijn hart: “Dag lief kind van me. Wat word ik blij van jou!”

 

III

Wat er toe doet en meer dan dat; wat alles verandert, recht zet, zin geeft, zonder dat het zich aan je opdringt, dat wordt door Lucas aangeduid met het werkwoord “geschieden”. Hij gebruikt het op de knooppunten van zijn verhaal. “Let op, God maakt geschiedenis!” Omdat het woord niet lekker bekt, is het weg vertaald. Net als in het kerstverhaal dat niet meer begint met “En het geschiedde”. Nu struikel je niet meer bij het lezen, maar je bent wel de steentjes kwijt geraakt die Lucas voor jou achter liet om niet te verdwalen in zijn verhaal.

 

Daarom de climax van het evangelie toch nog een keer in houterig Nederlands: “Het geschiedt / als heel de gemeenschap wordt gedoopt / en ook Jezus wordt gedoopt / en aan het bidden is, / dat de hemel opengaat / en de heilige Geest in lijfelijke gedaante / als een duif op hem neerdaalt; / en er geschiedt een stem uit de hemel: / jij bent mijn beminde zoon, / in jou heb ik behagen.” (Lucas 3: 21 – 22)

 

Alles wat Johannes in grootse beelden en indringend schilderde, de dag van de grote zuivering, krijgt hier zijn beslag. Nu wordt het kaf verbrand met onuitblusbaar vuur! Nu wordt het graan bijeengebracht in zijn schuur! Hier wordt geschiedenis geschreven. Je ziet het er niet aan af. Die ene die alle mensen te machtig is, valt niet op tussen de mensen. Zo nabij wil hij zijn. En het vuur dat al het kwaad verbrand, blijkt het vuur van Gods liefde te zijn; God die zichzelf geeft en zich branden wil aan deze wereld. Om die moeder (weet u nog?) niet alleen te laten. Om die vader, om die vriend. Om dat mensenkind, dat ronddoolt in het kwaad dat hij zelf vermenigvuldigd heeft.

 

Zie hoe het kwaad verbrandt. Niet door vuur te werpen uit de hemel. Maar door onder te gaan met zijn mensenkinderen in het water van nood en dood. Door de ademnood door te maken van die moeder. Door de schreeuw te horen van het mensenkind: “Is er nog iemand die van me houdt?” Aan alles zal God zich branden. Ons allen zal hij verzamelen, als de herder uit de profetie de lammeren in de wildernis.

 

Met hem komen we omhoog uit het water. Zodat die stem uit de hemel niet alleen voor hem is maar ook voor jou:  “Dag lief kind van me. Wat ben ik blij dat je boven water bent!”

 

In de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen.

 


Copyright © 2009-2010 Nieuwe Kerk Groningen. Alle rechten voorbehouden.