|
Exodus 2: 1 – 10
Lucas 5: 1 – 11
I
Mooi was het kind vast ook wel. Zeker als je het afzet tegen de omstandigheden waarin het is geboren: De georganiseerde kindermoord, bedoeld om een etnische minderheid klein te houden. De dwangarbeid. Jezelf harnassen om te overleven. Zo’n pasgeboren kind is dan bijna niet om aan te zien. Het wekt een zachtheid die er niet mag zijn. Zo zonder harnas is het leven niet te harden. Je gaat kapot. En God, wat moet er worden van dit kind?
Vast en zeker was het een mooi kind. Maar dat staat er niet in het verhaal. Er wordt een ander woord gebruikt dat godzijdank verder reikt dan de uiterlijkheid van het kind en de emotie van het moment. Er staat: “Ze ziet hem aan: ja, goed is hij!” (vers 2) Goed! Een woord dat niet stamt uit de tegenstelling: goed en fout. Een woord dat niet het eigendom is van mensen die weten hoe het hoort. Goed is hier niet goed omdat vader het zegt. Goed is een woord van God. Het is uitroep van vreugde uit het scheppingsverhaal, als God het licht tevoorschijn heeft geroepen; als hij de aarde aan het licht ziet komen te midden van het woeste water: “Ja, het is goed!” (Gen. 1:4 en 10) In het Hebreeuws staat er “toov” – juist ja: tof!
Maar wat is er dan tof? Waar is die vaste grond in dit verhaal, voor die moeder, voor dat kind? Waar is de grond waarop ze zich schrap kan zetten en zeggen kan: “Farao, je kunt me wat! Ik doe niet wat je zegt.”? Staatsterreur snijdt wurgend langzaam alle vluchtwegen af. Voor moedige en minder moedige vrouwen. Als de machinerie eenmaal op gang gekomen is, maakt de moed niet meer het verschil. Er is geen ontsnappen aan. Het is dreigend als het “Tohoewabohoe” van vóór de schepping – het woest, doods en duister uit het scheppingsverhaal. Het is er geen leven. Het water staat je boven de lippen en de grond is onder je weg geslagen.
Ja, houd eens op jezelf en dat scheppingsverhaal tekort te doen door het te lezen als een natuurhistorisch artikel met weetjes over hoe het allemaal begonnen is. Want dat is het niet. Het is evangelie. Het gaat om jou als je nergens bent. Het gaat om onverwachte grond onder de voeten. Om bevrijding waarop je niet meer durfde te hopen. En daarom staat het aan het begin van de bijbel. Daarbij hoort inderdaad niet het beschouwende: Dit is fout en dat is goed. Bij dit verhaal past slechts die kreet van vreugde: “Ja, het is goed!”
II
Als de vrouw haar kind aanziet en roept: “Ja, goed is hij!”, dan doet ze als het ware een beroep op het scheppingsverhaal. Ze grijpt naar het geloof dat geen grond ziet en geen spoor van bevrijding. Zoals de Hebreeënbrief het zo mooi zegt: “Het geloof legt de grondslag voor alles waarop we hopen, het overtuigt ons van de waarheid van wat we niet zien.” (Hebr. 11:1). God: “Ja, goed is hij!”.
In dat geloof neemt ze een arkje van biezen en belijmt dat met leem en met pek. Ze doet daarmee wat Noach deed. Het formaat van haar arkje is anders. Maar het is hetzelfde woord, dezelfde daad van geloof. Er gaat een fluistering door de tijd: Er is een nieuw begin waar alles dood gelopen is. Een nieuw begin voor mensen die uit ervaring weten dat het niet altijd waar is dat er na regen wel weer zonneschijn komt.
Ze legt haar kind in het arkje van biezen en zet het tussen het riet op het water van de Nijl. Daarmee doet ze twee dingen tegelijk: Ze wacht niet op de pogrom van Egyptenaren die het bevel van Farao komen uitvoeren: “Alle pasgeboren jongens van de Hebreeën, in de Nijl ermee!” Ze doet het zelf. Maar ze doet het in gehoorzaamheid aan een verhaal dat zegt: Er is een nieuw begin. Er is een God waarvan niemand weet, voor mensen die niets meer te weten over hebben. Een God die tot ons komt in het kind van Betlehem dat zo verdacht veel lijkt op het kind in dat arkje – “Ja, goed is hij!”. Zoals de door Herodes vermoorde kinderen van Betlehem in niets verschillen van de door Farao verdoemde jongetjes. Ziet u hoe geloofsverhalen zich ineenweven? En hoe ze stem geven aan de verschrikkingen van de geschiedenis, die je het liefst zou willen vergeten met een beroep op onze lieve Heer? Maar dat gaat niet. Te zeer is God verweven geraakt met het lot van de kleinen.
Er dobbert een kistje op het water. Een doodskistje. Mijn verstand zegt dat het niet anders kan. Een prooi voor het water. Ten dode opgeschreven. En toch.., er gaat een verhaal over een duif die uit zo’n kist werd los gelaten en nieuwe grond vond. En er gaat een verhaal dat er droog land verscheen, midden in het oneindig grote doodswater en dat er iemand riep: “Ja, goed is het!” En er gaat een verhaal over een gekruisigd kind van Hebreeën dat stierf maar nieuwe grond vond voor wie daar zo naar snakt. En dat God hem hoog verheven heeft.
III
Dit is ook zo’n verhaal. Een verhaal dat meer verdient dan het spreekwoord: “Als de nood het hoogste is, is de redding nabij.” Meer ook dan het geloof dat er ergens in de hemel een God is die met afstandsbediening het arkje stuurt en de dochter van Farao, zodat wij passief kunnen blijven kijken naar het verhaal en elkaar alleen maar knikkend aan hoeven te kijken: “God heeft het zo gewild.” Nee, zo niet. Zo ga je niet met de pijn om en met de godverlatenheid. Ook niet met je eigen pijn en godverlatenheid. Het verhaal wil bij jou zijn en met jou gaan, dwars er doorheen. Zonder los te laten. En dan maar zien.
‘Zien’ is een kernwoord in dit verhaal. Het kind aanzien. Als de moeder het kind aanziet, komt het verhaal echt op gang. En als de dochter van Farao het kind aanziet, precies in het midden van het verhaal, dan breekt het licht door, dan komt het droge tevoorschijn en komt het verhaal in een stroomversnelling.
Pas na dat midden wordt er in het verhaal voor het eerst gesproken. Communicatie komt op gang tussen drie vrouwen. Vooroordelen vallen weg. Dodelijke stereotypen verliezen hun duivelse macht. Dit is het verhaal van drie vrouwen die hun afkomst overstijgen en hun sociale positie niet tegen elkaar gebruiken. Ze werpen een levende dam op tegen de dood. Dit heet zusterschap met en glans van heiligheid. En het begint allemaal met het aanzien van een kind. Waarbij het staat voor al die mensen die het op eigen kracht niet redden en die maar al te vaak weggezet worden als gek, als achterlijk, gevaarlijk en vies.
Wil je weten waar God is, pin hem dan niet vast in de hemel, compleet met afstandsbediening. Maar kijk naar die drie vrouwen. Zie de glans van heiligheid die zich tussen hen beweegt. En gun het jezelf om uit de luie stoel of van de harde bank te worden getrokken, het verhaal in. Want dit gaat natuurlijk ook over jou, over de pijn van je kindertijd toen er om of door je heen gekeken werd terwijl je hartstochtelijk verlangde te worden aangezien. Dit verhaal gaat over leren leven zonder een God in de hemel die alles wel recht zet. Dit is ons geloofsverhaal, waarin God zich laat zien in zusterschap. Hij ziet ons aan, zoals de moeder het kind, zoals de dochter van Farao het Hebreeuwse jongetje. Het licht van Gods toekomst valt over dit heden – “Ja, goed is het!”
IV
Als schriftlied zongen wij Psalm 18: “God boog zich neer, zijn hand heeft mij gevonden / toen mij de waatren aan de lippen stonden.” (Ps. 18:1). Het is de knipoog van het verhaal dat de dochter van Farao citeert uit deze psalm als ze het jongetje zijn naam geeft: Mozes – dat betekent in de taal van de Hebreeën: “Uit het water heb ik hem getrokken.” Zonder het te weten krijgt ze een glans van heiligheid. Niet omdat ze de dochter van een Egyptische godenzoon is. Maar omdat ze doet als God. “Hij bood hulp van omhoog, greep mij vast, en trok mij uit de woeste wateren,” zingt David, “ontrukte mij aan mijn machtige vijand, aan mijn haters, die sterker waren dan ik.” (Ps. 18:17 / 2 Samuël 22:17)
Dit hebben we terug gehoord in het verhaal van vanmorgen. Dit zullen we terugzien met eigen ogen als Dyane Onstenk zo dadelijk door het water wordt omgeven. Zie haar aan..
In de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen.
|