Home Overwegingen Zondag 21 februari - ds. Evert Jan Veldman
Zondag 21 februari - ds. Evert Jan Veldman PDF Afdrukken E-mailadres
Geschreven door Ds Evert Jan Veldman   
zondag 21 februari 2010 15:14

Exodus 3: 1 – 18

Lucas 4: 1 – 13

 

I

Tot voorbij het steppeland, dreef Mozes zijn schapen. Tot achter de woestijn. Dat is de buitengrens van nergens. Er is niet veel voor nodig om het voor je te zien: de schrale grond, de verzengende wind, een bedoeïen met zijn kudde. Misschien gebruik ik daarom wel het woord ‘nergens’. Om te voorkomen dat we in die beelden blijven hangen. Alsof het hier om een shot uit een natuurfilm zou gaan. Of om een onvergetelijk moment tijdens een reis waar je zo lang voor gespaard hebt.

 

De wildernis in de bijbel is eerder de plek waar u ronddoolt in uw eigen eenzaamheid, dan het reisdoel van uw vakantie. Het is het speelveld van uw angsten. Het is de nacht waarin je wakker ligt en donkere gedachten je bespringen. Het is de markt op zaterdag in Stad waar al dat leven om je heen niet kan voorkomen dat je nergens bent.

 

Voor de schapen geldt in zekere zin het zelfde als voor de wildernis: Denk even niet aan de dieren die je pad kruisen tijdens een voettocht door Drenthe. De schapen verwijzen naar mensen. Ze verwijzen naar jou en jouw kwetsbaarheid. Het is een bekend Bijbels motief. Niet voor niets wordt psalm 23 zo vaak gelezen als woord van troost: “De Heer is mijn herder… Al gaat mijn weg door een donker dal, ik vrees geen kwaad want u bent bij mij.”

 

In de lezing van vanmorgen wijst de kudde vooruit naar het volk dat, uit het Angstland bevrijd, tussen vrees en beven door deze woestijn trekt. Bijeengehouden door een belofte die zich niet notarieel laat vastleggen: “Ik doe je opklimmen uit de diepte naar een land, goed en wijd.” Als Israël hoort over Mozes en zijn kudde, dan weet het dat het over henzelf gaat. “Mozes, voortaan zul je mensen weiden!”

Wij kijken over Israëls schouder mee, horen het woord, ervaren de kracht en worden er in meegenomen. Kan het? Mag het? Is er ruimte voor mij in dit verhaal? Ja, het verleent jou asiel. Het wordt ook jouw verhaal. Ruimhartig is het. Het kan geen kwaad dat te onthouden als mensen van ver in onze samenleving hun heil zoeken. Van even ver zijn wij gekomen.

 

Hoor je dit verhaal, dan vraag je je af hoe het kan dat ik met mijn angsten mezelf terug vind in de bescherming van de kudde. En dat aan de buitenkant van nergens, achter de woestijn, tot voorbij het steppeland? Hoe kan het dat ik niet langer verloren loop? Waar komt het lied op mijn lippen toch vandaan: “De Heer is mijn herder / al dreigt ook het graf / geen kwaad zal ik vrezen / Gij zult bij mij wezen.” (Gez. 14:3)?

 

II

Misschien is dat wel dezelfde vraag, die Mozes zich stelt: “Waarom verbrandt hij niet, de Sinaïdoorn?” (vers 3) Hij ziet de Sinaïdoorn gloeien in het vuur, En toch verbrandt hij niet! Op het eerste gehoor een heel andere vraag dan de vraag hoe het kan dat ik in mijn eenzaamheid niet langer verloren loop. Maar als de kudde kan verwijzen naar een gemeenschap van mensen, waarom zou een belaagd mens zich dan niet mogen herkennen in de Sinaïdoorn? Zoals de vrouw die me zegt dat haar ziel aanvoelt als prikkeldraad. Alles van binnen doet zeer.

 

Maar het verhaal zegt toch dat de HEER zich laat zien in de Sinaïdoorn? Ja, maar raken we hier niet de kern van het geloof, namelijk dat Hij is afgedaald en zich op leven en dood verbonden heeft met godverlaten mensen? Is de gloed van het vuur in de Sinaïdoorn niet tegelijkertijd de pijn van die vrouw als de passie van de HEER: “Gezien, gezien heb ik – het staat er inderdaad twee keer –  hoe ellendig mijn gemeente er aan toe is. Hun schreeuwen heb ik gehoord.” (vers 7) Komt daar niet het lied op mijn lippen vandaan: “Geen kwaad zal ik vrezen / Gij zult bij mij wezen.” ?

 

 Een variant op het beeld van de brandende doornstruik, tref je ook aan buiten Bijbelse verhalen. Maar dan gaat het over bomen die in vuur en vlam staan en die niet verbranden. Bomen waarin goden huizen. Grote bomen die er al staan sinds mensenheugenis. Goden die bestaan, als bomen. Naar zulke bomen ga je heen om te offeren. Je doet er de schoenen van je voeten want het is heilige grond.

 

Maar hebt u ooit gehoord van een God die zichzelf offerde, om bij de mensen te zijn en hen te bevrijden? Ooit gehoord van een God voor wie klein gemaakte mensen heilig zijn? Een God die van ons vraagt zo’n mens met eerbied tegemoet te treden: De dementerende op de gesloten afdeling, de doorgedraaide die in zichzelf loopt te praten, de asielzoeker zonder papieren. En niet te vergeten jijzelf met de kanten die je van jezelf verfoeit en als het even kan verbergt. Waar je stilstaat en haar aanziet, daar is heilige grond.

 

Van Mozes vertelt het verhaal dat hij afwijkt van de vaste route om de Sinaïdoorn van dichtbij te bezien. Zonder het te weten, gaat hij de weg van God die afdaalt uit de hemel en die afwijkt van de goden. Een stem roept uit het midden van de Sinaïdoorn, uit de ziel van een beschadigd mens: “Kom niet te na. Gun haar heiligheid de ruimte. Zie haar aan, maar grijp haar niet.”

 

III        

Wat blijft er over van Gods grootheid als dit de weg is die hij is gegaan? Wat is er geworden van de belofte dat het vernederd volk zou opklimmen naar een land, goed en wijd? Is het ooit meer dan belofte geworden? Nog steeds moeten we het doen met die naam die een belofte inhoudt, een naam in kapitalen geschreven: “IK ZAL ER ZIJN”. Maar tegelijk een naam die zich in de geschiedenis nooit heeft weten te vestigen. Hij blijft een vreemde tussen de goden, een Verborgene.

 

En met de tijd lijkt het verhaal van bevrijding, zoals we dat lezen in de kerk op de zondagen rond Pasen, alleen maar kleiner te zijn geworden. Zoals in deze preek gezichten van enkelingen oplichten bij dit verhaal en niet hele volksstammen. Ja, wat blijft er over van Gods grootheid als dit de weg is die hij is gegaan?

Is dit niet bij uitstek een vraag bij uitstek voor de 40 dagen die aan Pasen voorafgaan. Een tijd waarin we Jezus volgen bij zijn opgang naar Jeruzalem. Zoon van David, Zoon van mensen, Zoon van God “IK ZAL ER ZIJN”. En hoe dichter hij komt bij zijn doel, hoe meer de vraag dringt wat er overblijft van Gods grootheid.

 

Het is een vraag die onrustig maakt, terwijl we zo veel behoefte hebben aan rust en zekerheid. En we kunnen natuurlijk over de vraag heen springen door van de naam “IK ZAL ER ZIJN” weer een gewone God te maken die we bijzetten in de hemel, onaantastbaar en almachtig, met Jezus als zijn secondant. Want doen we dat niet, wat blijft er dan van hem over in de geschiedenis? Wie zich zozeer verbonden heeft met het vernederd mensenvolk, die loopt het risico dat zijn naam wordt uitgewist als die van hen. En wie zal er dan zijn als de naam “IK ZAL ER ZIJN” op aarde niet meer wordt genoemd?

 

Maar we kunnen ook iets anders doen dan God terug sturen naar de hemel waar wij hem het liefst zouden zien. We kunnen de Naam bezingen. We kunnen hem groot maken in ons lied. Zoals we samen met de cantorij psalm 113 hebben gezongen: “Van de opgang der zon tot haar dalen zij geprezen de naam van de Heer.” Dat is onze eerste opdracht: Zingen! En al zingend ontdekken dat het waar is wat we zingen: “Hemelhoog is zijn glorie.”

 

En weet u waarom het hemelhoog zingend wel waar is, maar denkend niet? Omdat alleen de psalmen weten dat Gods verhevenheid zit in het verheffen van klein gemaakte mensen. Zoals we het gezongen hebben: “Die de arme opheft uit het stof, / uit het slijk wil heffen de schamele.” En in een adem: “Hemelhoog is zijn glorie.”

 

Zoiets verzin je niet. Zoiets zing je. Houdt de lofzang gaande!

 

In de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.

 

Amen
 


Copyright © 2009-2011 Nieuwe Kerk Groningen. Alle rechten voorbehouden.