Home Overwegingen Zondag 7 maart 2010 - ds. Evert Jan Veldman
Zondag 7 maart 2010 - ds. Evert Jan Veldman PDF Afdrukken E-mailadres
Geschreven door Ds Evert Jan Veldman   
zondag 07 maart 2010 11:07

Exodus 6: 2 – 9 . 28 – 7: 7

Lucas 13: 1 – 9

 

I

Afgelopen week kreeg ik dit sms’je vanuit Noorwegen: “Hier hoor je alleen het geluid van de stilte. Ik loop in het donker met twee honden en ben gelukkig.” Zo maar iemand uit Stad, die ik heb leren kennen en meer dan zo maar iemand is geworden. Hij is meer thuis in de natuur dan tussen de mensen. Hij kent de gevaren van de natuur, het onberekenbare. Hij weet dat haar schoonheid niet los verkrijgbaar is. En toch is de natuur uiteindelijk zijn thuis. Niet de mensen. Niet zijn huis in Stad.

 

“God is de natuur,” zegt hij. Een God die niet spreekt of handelt. Een God die geen oog heeft voor hem, maar die hem zwijgend alle ruimte geeft om er te zijn en de geheimen van de natuur te doorgronden. Een God zonder geboden en verboden. Zo wandelt hij nu met God in Noorwegen. Hij kijkt. Hij voelt. God zwijgt. God heeft geen oog voor hem. Zo is het goed. Hij is gelukkig.

 

En hij verwart mij. Want ik ben dominee en heb geleerd dat God een God van mensen is. Niet de blinde natuur met zijn eeuwige cirkelgang van leven en dood. Maar een God die de geringe ziet en het recht van de sterkste vervangt door het gebod van de liefde. Een God die tot ons spreekt in de woorden die hier open gaan. Die wandelaar, wandelt hij niet terug het heidendom in?

 

II

In de lezing uit Exodus laat God zich aan Mozes kennen als ik zal er zijn. God die de schreeuw gehoord heeft. God die het lijden gezien heeft. God die jou zoekt. Maar is God altijd zo geweest? Nee, zegt dit verhaal. Aan Abraham, Isaak en Jacob ben ik verschenen als de Ontzagwekkende.

Hoe gek het ook klinkt, die God is een ander verhaal. Een verhaal met heel oude papieren. “El Shadaï heette ik ooit.” Letterlijk betekent dat waarschijnlijk “God van de bergen”. Maar zeker weten doet niemand dat. Zo oud is het verhaal van die naam. Ontzagwekkend is hij zoals de natuur ontzagwekkend is, schoon en afschrikwekkend tegelijk. Een van de oudste teksten in de bijbel komt nog het dichtst in de buurt bij wie God ooit was: “De Ontzagwekkende, hij moge je helpen, hij moge je zegenen met zegeningen van de hemel daarboven en van de oervloed in de diepte, met zegeningen van borsten en moederschoot.” (Gen. 49:25). God van de bergen. God van de borsten.

 

Het lijkt net alsof er een evolutie in God heeft plaatsgevonden. Van El Shadai naar ik zal er zijn. Van de blinde natuur en het lot, naar de betrekkingen tussen mensen en de strijd om de humaniteit. Een wonderlijke evolutie in God, die je met even veel recht een degeneratie kunt noemen; een afdalen van grote hoogte om te midden van mensen te zijn en een verbond met hen aan te gaan; met die laatkomers in de evolutie, die kanttekening in de tijd.

 

Als ik wandel met de wandelaar, is dat mijn verwarring. Met zijn pure kijk op mens en natuur, herinnert hij mij aan El Shadai. Een naam die ik had doorgestreept en vervangen door ik zal er zijn, maar die weer opduikt als ik luister naar de wandelaar. Hij kan het niet vinden tussen de mensen. De wandelaar kan God er niet vinden. Mensen gunnen elkaar de ruimte niet. Ze maken zich groter dan ze zijn. Ze menen recht te hebben op het leven en oefenen macht uit over elkaar. Ontwapenend stelt hij mij zijn vragen. Als ik te stevige antwoorden geef, zwijgt hij. Als ik stotter, luistert hij.

 

Hij heeft het spoor terug gezocht naar waar God vandaan gekomen is – El Shadai. En wij? De kerk? Wij zoeken naar sporen van God ik zal er zijn tussen de mensen. Onze blik is naar voren gericht. Wij zoeken met oude verhalen naar een nieuwe toekomst waarin de stomme een stem krijgt en de thuisloze een tafel om aan te zitten. Tenminste, dat zeggen we. Maar soms zo maar even ontmaskert de wandelaar met zijn vragen mijn geloof in God ik zal er zijn als het geloof in de God van de kerktorens en van de vasthouders. Als de wandelaar mij aankijkt, weet ik wat hij denkt: Je zegt wel dat je gelooft in God ik zal er zijn, maar ondertussen denk je al lang te weten wie hij is; bouw je een kerk om hem heen opdat hij je niet ontsnapt. En als niemand daar meer komt, dan treurt de kerk over afval en ongeloof. Dat God er zal zijn op zijn eigen wijze, steeds opnieuw en waar hij wil, gelooft de kerk dat zelf wel?

 

III

De wandelaar die niets met de kerk heeft, maar alles met El Shadai – God van de bergen, hij deelt met de kerk het ongeloof in God ik zal er zijn. Voor hem is er de natuur, voor de kerk is er de traditie. Hij trekt zich het liefst terug in zijn eentje, weg bij het gekrakeel van de mensen vandaan. De kerk keert zich het liefst naar binnen om op haar eigen eiland God dichtbij zich te hebben en alles van hem te weten.

 

Want wat zou God te zoeken kunnen hebben te midden van het onheilige alledaagse, waar mensen elkaar het licht in de ogen niet gunnen en om het hardst geroepen wordt: “Ikke ikke ikke!”? Hoe zou hij daar de ruimte moeten vinden om er te kunnen zijn? Dat hij daar zijn zal, terwijl de samenleving met de dag aan het verharden is, dat is toch gewoon niet te geloven?

 

Het is geen wonder dat de Israëlieten in het land dat hen aan banden legt, Mozes niet geloven op zijn woord. “Moedeloos als ze waren door de zware dwangarbeid,” zegt de NBV. Letterlijk staat er: “Kort van adem.” “Kort van geest.” En nu niet direct “foei!” roepen, want dat doet het verhaal ook niet. Kun je je voorstellen dat de Naam ik zal er zijn niet beklijft? Dat de boodschap van bevrijding op de rotsen valt? Dat die afketst op de hardheid van het alledaagse waarin je alleen maar staande blijft als je je wapent?

 

Weet u, niets is pijnlijker dan de zachtheid toe te laten waarvoor je geen ruimte hebt. Als er over je heen gelopen is, eens en voorgoed, dan is het niet te harden als iemand je zoekt en vraagt om op te staan; om te antwoorden op de Naam ik zal er zijn met een “Hier ben ik!” Want als het niet waar is, niet echt is (En hoe zou het waar kunnen zijn en echt?) en je vervolgens wreed wakker wordt geschud, dan doet wat zo veel pijn doet nog meer pijn. Dan doen de liefdesverklaringen aan als zweepslagen. Prachtig hoe de werkwoorden elkaar in de tekst opvolgen: Uitleiden zal ik je. Redden zal ik je. Loskopen zal ik je. Nemen zal ik je tot mijn partner. Wezen zal ik je tot God. Weten zul je wat je niet weten kunt.

 

Dat de Israëlieten “kort van adem” zijn, hoeven wij hen niet aan te wrijven. Het is onder een vergrootglas onze eigen kortademigheid, die de wandelaar doet vluchten in de eenzaamheid van de natuur en de kerk doet terugtrekken op haar eilandje. God zelf zal ons de adem moeten geven om de boodschap van liefde en bevrijding te kunnen horen, en vervolgens op te staan. Want uit onszelf kunnen we in God ik zal er zijn alleen maar geloven met ons ongeloof.

 

IV

Mozes vindt de adem om God te antwoorden als hij zegt: “Ik ben het, ik zal er zijn – spreek tot Farao, Egyptes koning, al wat ik nu spreek tot jou!” (Ex. 6:29) “Hier! Ik!,” klinkt uit de mond van Mozes. Zo dicht is God hem genaderd, dat hij kan antwoorden op Gods adem: “Hier! Ik!” En in een adem voegt hij daar aan toe: “een onbesnedene van lippen, hoe zal Farao naar mij horen!.” In de NBV wordt dat in keurig Nederlands, dat iedereen begrijpt: “Ik kom zo moeilijk uit mijn woorden.” (Ex. 6:30) Ja, vind je het gek? Hij moet woorden spreken die te gek voor woorden zijn. Mozes was een stotteraar, zeiden de geleerden. Misschien, maar met een spraakgebrek heeft het niets van doen. Als jou gevraagd wordt om bevrijding aan te zeggen – opstanding voor wie onder ligt en einde van de machten boven, dan kun je dat niet anders doen dan met gestotter. Want je haalt het niet uit je bagage. Het wordt je aangezegd, aangeblazen. God kust je met zijn woorden. Wie zou niet stotteren?

 

Wij moeten nog leren stotteren. Er wordt wel gezegd dat de kerk in een crisis zit omdat zij het ook niet meer weet. Maar dat is hoogstens de crisis van de kerk met haar torens; de kerk van de vasthouders. Maar wie zal zeggen wat ons nog te wachten staat (nee, wíe ons nog te wachten staat..) als de gaten in het vroegere bolwerk nog groter worden. Niet iets om je op te verheugen, zoals Mozes zich niet verheugde op zijn taak. Wat wij hier nu doen voelt fijner en veiliger, vermoed ik zo.

 

Maar als ooit de muren vallen, dan zal Hij er zijn – zegt het verhaal. Het verhaal van die God die begon als God van de bergen, als El Shadai. Maar die op zijn heel eigen wijze door ons tekort gekropen is, achter de harnassen is gekomen om met ons de pijn te voelen en langzaam veranderde in ik zal er zijn. Hij wacht ons op. Hij zendt zijn adem. Hij zal de mens omarmen wanneer die opstaat in het banale alledaagse en haar hoort stotteren: “Hier! Ik!”

 

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen.

 


Copyright © 2009-2011 Nieuwe Kerk Groningen. Alle rechten voorbehouden.