JEZUS IN JERICHO
M. van der Plas
'Hij schreeuwde nog harder'
(Markus 10:48)
Dat schreeuwen, Vader, van mijn naam. Dat schreeuwen.
Ik heb het nu al zoveel keer gehoord.
Mijn vrienden op het meer bij mij aan boord.
De dolle kerel bij de Gerasenen.
En nu weer deze. Het blijft zich herhalen
op deze wereld van je; hij is vol
van vrees en beven; ik word horendol
van de ontzettingen en van de kwalen.
Het komt uit buiken, handen, ogen, kelen,
het slaat in golven op tegen een muur,
het maakt krankzinnig en het spuwt zelfs vuur:
oorlogend als het niet meer is te delen,
wanhopige, moordende muiterij.
Ik zeg je: het zal nog overslaan op mij.
Ach, Vader, jij bent nooit als mens geboren,
jij kent de pijn niet die het leven doet
op aarde, hebt geen lichaam, hebt geen bloed,
jij kent niet het gevoel te zijn verloren.
Jij weet niet wat het is te moeten sterven
vandaag en straks, te lijden aan de tijd,
rond te draaien in ontoereikendheid,
te dorsten, zweten, uitdrogen, bederven.
Maar zie naar mij en lees het in mijn ogen,
en hoor het in mijn hijgen, in de klacht
van elke nieuwe slapeloze nacht,
en heb om mij tenminste mededogen,
Vader, ver weg gezeten in je vrede,
met dit diep dal van tranen hier beneden.
Schreeuwen. Ik heb het ook al zelf geleerd.
Diep in de nacht. In de bergen alleen.
Met honderden demonen om mij heen
en wat een mens ziet als zijn hart omkeert.
Ze dachten dat ik bad. Was dat het ook?
Mijn hoofd lag op een steen en ik was bang.
Mijn ziel was ziek, mijn armen werden lang
en zwaar en leeg, mijn adem maakte rook.
Wanneer geluid voldoende voor je is,
aanvaard ons dan met het verschrikkelijk
geroep en al het verdere gemis,
ach, en herschep het in recht op geluk.
Want wij zijn blind en we zoeken je zo.
Dat bid ik je vandaag in Jericho.
Vader, nu ben ik je verloren zoon:
naar een ver land vertrokken met mijn deel
van onze rijkdom, en het is geheel
verspild, ik woon in armoe en in hoon.
Er is hier hongersnood; stenen voor brood
krijgen de mensen, en vaak denk ik aan
de overvloed van jouw en mijn bestaan,
thuis, ver van haat en nijd, en van de dood.
Ik kom terug, de slaaf van iedereen,
al moet ik kruipen, zwemmen door een zee
van tranen en van bloed. Vel over been
kom ik terug naar jou. Maar niet alleen:
ik neem het allemaal, allemaal mee,
schreeuwen en knarsetanden en geween.
Maar ik houd zo, ik houd nog zoveel van;
van de vogels; van water uit een bron;
van wijn in kruiken, koren in de wan;
en van de tempelkoepel in de zon;
van mooi lang haar, en lelies op het veld;
de geur van nardus, en de smaak van zout;
het tere van een lam en het geweld
van golven; en van hout, van alle hout.
Ik houd zo van het breken van een brood;
van kinderen die leunen op mijn knie
en van de aarde als ik sterren zie
en van het heimwee als ik hemel zeg,
van elke grot als van een moederschoot.
En om dat alles wil ik nog niet weg.
Straks is het uit met denken, voelen, weten.
Ik ga voorbij, langzaam ga ik voorbij,
met al de dingen die nu naar mij heten
en al wat ik gekend heb van een jij.
Mijn ademen en deze dag van mei
en alle broeders die ik heb bezeten:
het gaat al half, het maakt zich van mij vrij,
en dan is het, en dan ben ik vergeten.
Daarom heb ik gehuild, en om de tranen
van al de anderen, daar rond het graf
van Lazarus. Jij geeft de mensen wanen
van hoop, en alles neem je ze weer af.
En dat gaat deze kinderen te boven.
En ik ze nog maar vragen te geloven.
Wat heb je met ze gedaan, welke wegen
gewezen, welke verstopt, en waarom?
Waarom de mondjesmaat? Waarom ze dom
gehouden en het heerlijkste verzwegen?
Ik wist het in ons huis. Maar langs hun straten
weet ik het niet: niet met hun lichaam aan,
hun kreten en hun tranen. Dan bestaan
wij broederlijk, - Eli, waarom verlaten?
Hier ben ik ziende blind; een tollenaar;
Herodes; overspelig; alle schatten
liggen verborgen; wij gaan graaien naar
het vlak nabije, kleine, korte, platte, -
en waar ons hart moest zijn, het groot verschiet,
het rijk der hemelen, openbaart zich niet.
Nu bid ik je alleen nog maar voor dezen,
die met mij klimmen naar Jeruzalem
in starre hoop, mijn kinderen, de wezen
van onze hemel; en vooral voor hem
die blind was en nu, door jouw naam genezen,
weer ziet en links rechts alle bloemen plukt,
die honger had en nu aren wil lezen,
en dorst en nu een druiventros afrukt:
dat je meedogen hebt met deze scharen;
dat je hen een maakt zoals wij het zijn
dat je al wier hier kwetsbaar is en klein
uit zijn graf oproept en hem wilt bewaren
voor alle kwaad en kruis; dat je zijn schreeuwen
aanhoren zult in de eeuwen der eeuwen.
Gebeden
Wij maken uw Naam groot, God
als de blinde bedelaar bij Jericho.
Op dezelfde adem waarmee hij riep om ontferming,
maken wij uw Naam groot:
Bevrijder – Trooster – Reisgenoot.
Wij bidden voor mensen
die gek worden van hun eigen geschreeuw
omdat het alleen maar van binnen klinkt
en weerkaatst tegen de wanden
van een alleen gelaten ziel.
Dat er oren zijn die het zwijgen verstaan
en door de buitenkant heen leren horen.
En voor hen die niet verleerd zijn
om voor zichzelf op te komen;
mensen, die het zwijgen hebben doorbroken
omdat hen een licht is opgegaan,
door de subtiele bevestiging van een ander
of door een goede herinnering die zo maar ineens opdook;
mensen, die ten diepste weten:
Ik ben een koningskind.
Ik mag er zijn.
En voor ons hier,
onderweg naar Pasen,
zingende pelgrims, schuilend bij elkaar,
vast van plan om hem niet uit het oog te verliezen,
die ons verwart en inspireert,
die ons uit balans gooit en gaande houdt,
Jezus van Nazaret,
broeder voor de eeuwigheid
kind van de Allerhoogste.
En om stilte bidden wij,
God een en al oor voor wat ons bedrukt
of onuitsprekelijk blij maakt
……………………………………………
Met hem en door hem
die ons heeft leren bidden:
Onze Vader