|
Exodus 9: 13 – 35
Lucas 20: 9 – 19
I
Twee verpletterende verhalen hoorden we zojuist. Over hagelstenen die dood en verderf zaaien in Egypte. En over de eigenaar van een wijngaard die zijn pachters doodt. Zijn woede valt als een steen op hen en vermorzelt de pachters. Twee verhalen waarin de passie van God zozeer voelbaar wordt, dat je je er aan brandt.
Eigenlijk vinden we dat maar niks. Het is allemaal zo primitief. Een God die met hagelstenen gooit en met bliksemschichten, als Wodan. Een God als een grootgrondbezitter die de rebellie met geweld de kop indrukt. Een God die niet met zijn tijd is meegegaan, zoals God dat in werkelijkheid natuurlijk wel heeft gedaan. Anders hadden we hier niet meer gezeten, toch? Daarom nemen we dit soort verhalen met een kritisch klein korreltje zout. Als hij geen liefde zou zijn en redelijk als wij, dan hadden we het geloof er toch al lang aan gegeven? Helemaal voorspelbaar hoeft God niet te worden. Hij is God en wij zijn mensen. Hij mag ons blijven verrassen. Maar niet als een Wodan. Of als een grootgrondbezitter.
Dat maakt het lastig om je toe te vertrouwen aan de verhalen. De eerste gedachte bij het lezen is: “Hoe brei ik dit nu weer recht?” Hoe pas ik de repressie van de grootgrondbezitter in in mijn geloof in een God die liefde is? Hoe zorg ik er voor dat de God, die bliksemschichten werpt en met hagelstenen gooit, past op de bron van levenskracht en liefde, die mensen uitnodigt op zoek te gaan naar sporen van hem in dit bestaan? Daar kun je knap druk mee zijn.
Je verkneukelt je als je Asterix leest: Heel Gallië door soldaten van Caesar bezet? “Heel Gallië? Nee, een kleine nederzetting bleef moedig weerstand bieden.” Maar je schudt je hoofd als je in Exodus leest dat het overal in Egypte hagelt, behalve in de nederzetting Gosen, waar de Israëlieten wonen. Voor een glimlach is de zaak je te ernstig. Want hoe leg je aan je buurman uit dat je op zondagmorgen je bed uit stapt om naar zulke verhalen te luisteren?
II
Gemeente, dit recht breien gaat ons niet lukken. Ik wil u uitnodigen alle steken eerst maar eens te laten vallen en uw breiwerk uit te halen. En dan bij het onbevangen horen iets meenemen van de pret waarmee u de Asterix open slaat. Laat de verhalen toe op die plek waar misschien ooit al uw zeker weten lag opgetast. Of waar uw fraaiste denkconstructies zich bevinden. Of de toppen van uw geloofsleven.
Laat de verhalen toe zoals Jan van Toos dat ooit deed. Een in meerdere opzichten aangeschoten ziel, die meedeed aan een kringgesprek over het evangelieverhaal van vanmorgen. Ik zie nog hoe hij uit gebogen toestand rechtop ging zitten toen hij hoorde dat de eigenaar de wijngaard aan anderen zou geven. “Dan is die wijngaard voor mij,” zei hij, “Ik zal er wat moois van maken. En iedereen is welkom.”
Zou de passie van God die opvlamt in de verhalen iets te maken kunnen hebben met zijn voorliefde voor gekwetste mensen? Was dat niet wat Jan aanvoelde en waarop hij antwoord gaf? Dat God in beide verhalen zo tekeer gaat, laat dat niet zien dat hij niet boven de materie staat maar dat de mens die in het nauw gebracht is hem aan het hart gaat? Dat liefde geen schone notie is, maar een akelig alledaagse kracht? Misschien is het wel zo dat we achterhaalde beelden en oude verhalen nodig hebben om die kanten van onszelf aan het woord te laten waar we ons geen raad mee weten en die we het liefst verzwijgen. Achterhaalde beelden en oude verhalen die ons herinneren aan wat op de achtergrond dreigt te raken: de menselijke maat, de solidariteit, de waardigheid van een mens als Jan, je eigen waardigheid met alles wat je meedraagt aan knulligheid, miskend zijn, aan domme pech en eigen schuld.
III
Dat moment tijdens het kringgesprek waarop Jan uit zijn voorovergebogen positie zich oprichtte en het woord nam, het doet denken aan het begin van de lezing uit Exodus, waar de heer tegen Mozes zegt: “Richt je op in de morgen, posteer je voor Farao en spreek tot hem.” De Naardense bijbel vertaalt het nog mooier: “Recht in de morgen je schouders…” Dat is toch net even iets anders dan wat de NBV leest: “Wacht de farao morgen in alle vroegte op..” Dan moet ik toch meer denken aan ruziënde jongens dan aan Jan, die elke slag al lang verloren had, maar zich nu oprichtte, aangeraakt als Mozes door een woord van God.
Voor je het weet, verengt zich het verhaal tot krachtpatserij in de machtsstrijd tussen God en Farao. Wie gaat er knock-out? In zo’n lezing wordt Mozes een waterdrager, een schildknaap van God. Alles spitst zich dan toe op de heroïsche tweestrijd tussen God en Farao, waarbij alles er op wijst dat onze God het gaat winnen. De prachtige aanspraak, gericht tot Mozes als zoon van een gekleineerd volk – “Recht in de morgen je schouders…”, gaat in het geweld van die tweestrijd verloren. En met dat volk verdwijnt zomaar ook Jan weer uit beeld. Daar is niets voor nodig. Je blaast een keer en hij is weg.
IV
Die plagen die Egypte treffen, zijn ze echt gebeurd? Ik weet het niet. Ik heb het verhaal van horen zeggen – thuis, op school en in de kerk. En de kerk heeft het ook weer van horen zeggen. Ze heeft het gehoord omdat de Sjoel (Synagoge) uit de school geklapt heeft. De Sjoel, waar het verhaal levend werd gehouden, terwijl Israël tussen de tandwielen van de geschiedenis was geraakt. Dit is geen verhaal dat je terug kunt traceren in de tijd tot op feiten die zich ooit eens ergens hebben voltrokken. Dit is een verhaal dat van mond tot mond moet gaan. Moeders hebben het aan hun zonen verteld en vaders aan hun dochters. Inspiratie houdt dat proces gaande tot op vandaag. Inspiratie, ingegeven door de herkenning van afgeschreven zijn, weggeblazen worden en wonder boven wonder opgericht worden. Zoals het aan Jan gebeurde.
De plagen die beschreven worden zijn niet in de eerste plaats de kuren van een almachtig God. Natuurlijk, die kant zit er ook aan. Het zijn mythische verhalen. Maar het zijn bovenal geloofsverhalen van mensen die geen naam mochten hebben, die het vuile werk opknapten in de economie van glamour en glitter. In Egypte en in Babel. Egypte op het toppunt van glorie heet in die verhalen niet voor niets “Benauwenisland”. En toch was er meer dan dat. Tegen de stroom in; letterlijk tegen de stroom in van de Nijl die welvaart en vruchtbaarheid gaf, werd er een gemeenschap geboren die zich aangesproken wist: “Ik heb je gezien. Ik heb je gehoord. Ik zal je bevrijden. Ik zal er zijn. Recht in de morgen je schouders.”
Waar gaat het om in het verhaal van de hagel die neerslaat en de economie van het trotse Egypte in het hart raakt? Niet om een God die zijn spierballen laat zien. Zo zou je het zo maar kunnen lezen: “Ik heb u (Egypte) alleen in leven gelaten om u mijn macht te tonen en om iedereen op aarde te laten weten wie ik ben.” (vers 16) Maar het staat er net even iets anders: “Egypte, ik houd je staande. Ik laat je mijn kracht zien, opdat men mijn naam vertelt op al het land.”
Opdat men mijn naam vertelt.. Daar draait het om. Alles begint bij de naam ik zal er zijn. Hier is niet een Godheid bezig die zijn naam wil vestigen. Geen ik-gerichte God. Niet een naam die dwingend uitbazuind moet worden, maar een naam die rond moet gaan. Een naam tussen de mensen. Een jij-gerichte God die op jouw antwoord wacht. Bevrijdend! Een naam die rondgaat in verhalen en telkens opnieuw van zich doet spreken. Zoals die keer toen Jan uit zijn gebogen houding overeind kwam en zijn schouders rechtte. Deze verhalen breiden zich uit van zee tot zee, van de rivier tot de einden der aarde. Tot ze ontelbaar zijn als de sterren aan de hemel en het zand van de zee. Dat is wat er allemaal in dat woord “vertellen” ligt opgeslagen.
V
Vanmorgen worden wij bij onze roeping bepaald. Dat betekent niet de scherpe kanten van de verhalen slijpen in de hoop dat de verhalen te pruimen zijn voor onze buurman en voor onszelf. Het betekent ook niet bij hoog en laag volhouden dat de verhalen een feitenverslag zijn van lang geleden, om vervolgens te beweren dat dit het bewijs is van waar geloof. Dat gaat voorbij aan het godswonder dat er nog steeds mensen geraakt worden door het woord en hun schouders rechten. Ja, dat gaat voorbij aan God ik zal er zijn zelf. Altijd weer nieuw en verrassend aanwezig.
Wij zijn geroepen deze verhalen verder te vertellen. Huiverend bij de woede die er in besloten ligt over de miskenning van mensen. Wij blijven deze achterhaalde verhalen lezen tot deze wereld achterhaald is door een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen
|