|
De tuinman in de hof
Ik zie het alweer:
er moet in jouw tuin een hoop gebeuren, Jozef!
Jozef is mijn baas.
Een goede baas, die mijn werk waardeert.
Nou ja, wat heet "goed"?
Goede bazen bestaan er eigenlijk niet voor een slaaf.
Maar.. Jozef is zeker niet de slechtste die je treffen kunt.
Dit is zijn tuin hier. Hij is rijk.
Kijk gerust eens rond in de tuin van Jozef van Arimathea.
Wat zegt u? U wilt weten wie ik ben.....
Maar dat heb ik al gezegd:
Ik ben van Jozef van Arimathea.
En verder? Verder mag het geen naam hebben.
Bij mijn geboorte heeft mijn moeder
de naam Job geroepen.
Maar dat is lang geleden en van horen zeggen..
Ik kan me niet herinneren
dat iemand mij zó geroepen heeft.
Van Jozef van Arimathea, ben ik.
De hovenier van Jozef van Arimathea.
Dat klinkt wat beter dan tuinman.
Ik ben wat anderen van mij verwachten.
En als ik daar niet aan voldoe, dan ben ik nergens meer.
Dat doet me denken aan gisteren.
Gisteren heb ik namelijk vrijaf gehad.
Ooit gehoord van een slaaf met een vrije dag?
Dat kan alleen gebeuren in dit rare land.
Jozef heeft me wel eens iets verteld over zijn God.
Eentje die iets met slaven heeft.
Ooit heeft Hij er een stel bevrijd
uit de handen van een machtig heerser.
"Zijn volk" noemde Hij hen,
en de dag van gisteren "zijn dag".
Een dag zonder werken voor zoon en dochter,
slaaf en slavin, vee en vreemdeling.
Nou in dat rijtje kom ik ook voor
Tussen al het vee en de vreemdelingen
zit ook ergens de hovenier van Jozef van Arimathea.
Aan die dag kan ik maar niet wennen.
Het is een rustdag die mijn rust verstoort.
Ik ben wat anderen van mij verwachten.
Ik ben toch van Jozef
maar wat ben ik dan op die Sabbat?
Op mijn vrije dag komen de vragen.
Soms bestormen ze me.
Alle andere dagen weet ik wat ik ben:
vàn Jozef van Arimathea.
Op Sabbat weet ik het niet meer.
Die van gisteren was wel een hele speciale.
Donderdag en vrijdag zag ik overal
mensen zenuwachtig in de weer
om een feestdag voor te bereiden:
Boodschappen in huis halen, het huis aan kant maken
en druk in de weer in de keuken.
Vrijdagavond was het doodstil
in de straten van Jeruzalem.
Elk joods gezin was thuis.
Rond de tafel zaten ze van klein tot groot.
Het was een avond, anders dan alle andere avonden.
De joden dachten terug aan die ene avond, lang geleden
dat hun ouders zich klaar maakten
om weg te trekken uit de slavernij.
Elk jaar heb ik de indruk dat ze het zo vieren
alsof het díe avond moet gebeuren.
Zouden ze net zo onrustig zijn als ik?, dacht ik
De avond lijkt één groot vraagteken bij alles wat is
en zulke vraagtekens wennen nooit.
Vrijdag was het sterker dan andere jaren.
Ik voelde me eerder onbehaaglijk dan onrustig.
Het weer werkte ook niet erg mee.
Geen vriendelijk zonnetje, maar een lucht
die midden op de dag plotseling potdicht zat.
Het was gewoon angstig om te zien.
Even leek het nacht te zijn; zo zwart zag de lucht.
Het was vreemd stil.
Ik ben niet zo gauw bang van het weer.
Ik weet hoe het kan zijn; dat hoort bij mijn vak.
Maar die vrijdag.....
Alsof de nacht en de stilte een groot vraagteken zetten
bij de dag en het lawaai van het leven.
Mijn baas zat niet goed in zijn vel
en dat is niet overgegaan.
Die vrolijke opgeruimde Jozef van Arimathea
liep stil rond.
Hij had iets ernstigs en bedroefds over zich.
Ik ken hem langer dan vandaag: Hij had gehuild.
Zijn ogen waren rood.
Nee, zo ken ik hem niet.
Het laat me niet los.
Gisteren liep ik hem tegen het lijf
en het was niet anders met hem gesteld dan vrijdag.
Hij had ook geen zin in een sabbats-praatje.
Het heeft vast iets te maken met die man uit Nazareth
die ze vrijdag hebben geëxecuteerd.
Dat gaat er wreed aan toe
maar het leven is nu eenmaal wreed.
Ik heb wel eens staan kijken.
De plaats van executie is hier vlakbij.
Daar slaan ze misdadigers
met spijkers aan een stuk hout.
Of lotgenoten van mij die vergeten waren
dat het niet elke dag sabbath is.
Het duurt lang voordat je dan dood bent.
Zo hebben ze dat ook gedaan met die man uit Nazareth.
Waarom ze hem hebben vermoord,
moet je aan mij niet vragen.
Wat ik wel weet is dat mijn baas iets met die Jezus had.
Als hij met mij over hem sprak,
begonnen zijn vrolijke ogen te twinkelen.
Midden in de week kreeg ik dan het gevoel
dat het sabbat was:
Diezelfde onrust - diezelfde vragen.
Mensen met knikkende knieën zette hij recht overeind
en anderen die geen stom woord uit konden brengen
gaf hij een stem.
Koninkrijk Gods noemde hij dat.
Dat is zoiets als alle dagen sabbat.
Leiders van het volk schenen daar
nog onrustiger van te worden dan ik.
En die hebben op hun beurt
de stadhouder weer zenuwachtig gemaakt.
Ja, zo moet het ongeveer in elkaar zitten.
Als leiders zenuwachtig worden, berg je dan maar.
Vrijdag, vlak voor de zon onder ging,
hebben ze hem in deze tuin begraven.
Een vriend van Jozef had specerijen meegebracht.
Linnen windsels hebben ze daarin gedoopt.
Daarin hebben ze hem gewikkeld.
Van een afstandje heb ik staan kijken.
Hij moest in het graf liggen vóór de zon onder ging.
Dan begon immers de Sabbat.
Ze waren maar net op tijd,
maar ik had niet de indruk dat hen dat veel kon schelen.
Deze sabbat was echt anders dan alle andere.
Zeker voor de mensen, maar ook voor mij.
Iets van de treurigheid van Jozef hing ook in de lucht.
Alsof het nooit meer sabbat zou worden.
Alsof mijn onrust voor altijd verleden tijd zou zijn:
Geen vragen meer die mij bestormen.
De dingen zijn zoals ze zijn.
En ik ben nu eenmaal vàn Jozef van Arimathea.
Prettig gevoel? Nee, dat ook weer niet.
Vanmorgen ben ik maar vroeg aan het werk gegaan.
Ook, omdat er veel gebeuren moet in de tuinen.
Maar vooral om de gedachte kwijt te raken
de dagen verder door te moeten zonder vragen.
Misschien kunnen de bloemen in de knop
en de druppels van de ochtenddauw mij opbeuren.
Vrijdag, zaterdag, zondag....
Dit wordt alweer de derde dag dat hij daar ligt..
Ik zal proberen de tuin zo mooi mogelijk te maken.
Vreemd eigenlijk, soms hebben verhalen zo'n kracht
dat je een band voelt met iemand die je niet kent.
Het begint overigens net te schemeren.
Kijk maar naar de horizon in het oosten:
een nieuwe dag, een nieuwe week.
Hoor, de merel slaat aan in het struikgewas.
Gelukkig, even was ik bang
dat er nooit meer iets moois zou gebeuren.
Nee maar, de rode roos heeeft de droogte
en de hitte overleefd.
Vandaag gaat hij bloeien, zo zeker als maar zijn kan.
Ik zal het aan Jozef laten zien.
Misschien vrolijkt hem dat ook wat op.
Zo snel ik hem zie, zal ik hem erop wijzen.
Hé, ik dacht even iemand te zien lopen achter in de tuin.
Die is er wel erg vroeg bij.
Als je de tuin in al zijn pracht wilt zien
kun je er beter bij het volle licht doorheen gaan
en niet in de ochtendnevel.
Ik hoor mezelf nu praten: Wat zoek ik hier eigenlijk?
Niemand die me op dit vroege uur de hof instuurt...
En die hof is ook niet meer wat het geweest is
sinds de gebeurtenissen op vrijdag.
Ik kan beulen wat ik wil, maar het blijft voortaan een kerk-hof.
Weet je wat ik me nu ineens zit te bedenken:
Mijn onrust is toch geen verleden tijd geworden.
Ik zit me hier van alles af te vragen
terwijl het niet eens sabbat is.
In de ochtendnevel zit ik hier op een kerkhof
- iets anders is het niet
Maar voor het eerst in mijn leven voelt het
alsof de hof van Jozef van Arimathea niet de plek is
waar ik heengestuurd wordt om te beulen,
maar een tuin om in te leven met alle dagen sabbat!
Een kerkhof als hof van Eden - Mijn God!
Ha, die Job!
Goedemorgen, vroege vogel!
Vrede met jou!
En met jou!
God, er is deze vroege ochtend iets gebeurd.
Er daagt iets bij me en het is meer dan een lichtje dat me opgaat.
Iets straalt door alles heen.
Ik weet wat het is
om dag in dag uit te werken in een tuin
maar ik weet nu pas wat het is
om een tuin om me heen te hebben.
U hebt me bij de naam geroepen
- als ooit mijn moeder "in de beginne".
U hebt zich laten kennen.
Ik ben niet van Jozef van Arimathea - Ik ben van U –
Ik ben Job!
En dit hier is niet het kerkhof van gisteren
maar de tuin van morgen.
Dit is de hof van Eden en in het midden staat Adam:
Job! Job-Mèns!
Dit is uw tuin! - Geen kerkhof!
en dat graf daar is leeg
zoals een graankorrel niet meer terug te vinden is
als hij vruchten heeft voortgebracht.
en die steen - Wat is nou die steen?
Een kiemend mosterdzaadje heeft hem doen scheuren.
Alles lijkt nog als gisteren maar het is schijn geworden.
Uw knipoog is er overheen gegaan.
Misschien was de onrust van elke sabbat
wel uw voetstappen in de hof
uw stem die mij bij name riep.
God, zeg nou dat het waar is, zeg het nou!
Nee, wacht! U hebt niets meer te zeggen.
Wat U te zeggen had is al gebeurd vanmorgen.
Daarom bent U zo stil.
Nou moet ík het zeggen.
Ik en al die anderen die niet rechtop konden gaan
die naamloos overleefden.
Die man uit Nazareth is opgestaan!
Jezus leeft!
Dit is uw morgen, God!
Ik ga naar huis en wel nu direkt.
Ik ga Jozef van Arimathea wakker schudden
en ik ga het hem vertellen.
Ik laat hem de nieuwe morgen zien
en daarin mag hij komen kijken naar de rode roos
en dan noemen we elkaar bij de naam:
Ha, die Jozef. Ha, die Job.....
|