|
Romeinen 8: 15 – 27
Der Geist hilft unser Schwachheit auf (BWV 226)
I
Sommigen bidden alsof God bij hen aan de vergadertafel zit. Binnen in mij vecht op zo’n moment de overgave met de afkeer. Het vertrouwen waarmee iemand als het ware keuvelt met God als hij voorgaat in gebed, kan me ontroeren. En tegelijk denk ik met gevouwen handen: Dit wil ik niet. Zo kan het niet.
Waar ‘m dat in zit? Ik weet het niet. Het gebed is gemeend. Het is warm en menselijk. Ongecompliceerd en ontbloot van elk “zie mij eens”. Waarom laat ik me dan niet gewoon ontroeren en koester ik me niet even aan het vrijmoedig geloof van de ander? Waar komt die afkeer toch vandaan?
Misschien is het wat een van mijn leermeesters ooit tegen me zei: “Wees in het gebed zuinig met woorden. God moet al genoeg geklets aanhoren.” Dat ik dat onthouden heb, betekent waarschijnlijk dat zijn woorden mij wel pasten. God blijft immers de Ander met een hoofdletter, ook als hij ons in het gebed nabij komt. Zei Prediker het al niet: “God is in de hemel en jij bent op de aarde, dus moet je spaarzaam met je woorden zijn.” (Pred. 5:1). Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de spaarzame woorden zo maar verstillen tot een woordloos gebed. Tot er een dag komt dat de stilte het wint van het gebed.
II
Wat is nu beter, vraag je je af, het keuvelen of het zwijgen? Waarmee doe je God recht en jezelf? Een antwoord zou kunnen zijn: Luisteren naar Bach, die nooit met één stem spreekt. Bach, die niet redeneert maar zingt. Toen ik luisterde naar het motet: “Der Geist hilft unser Schwachheit auf”, werd ik getroffen door de vrolijkheid die mij deed ontwaken uit mijn getob. Bijna letterlijk opgetild.
Zie je wel wat je leest? “De Geest helpt ons in onze zwakheid (overeind); wij weten immers niet wat we in ons gebed tegen God moeten zeggen, maar de Geest zelf pleit voor ons met woordloze zuchten.” (Rom. 8:26) Het komt er niet op aan dat jij weet wat je in je gebed tegen God moet zeggen. En dus ook niet of jij een keuvelende gelovige of een zwijgende behoort te zijn. Het evangelie gaat ver boven dat wat hoort uit. De Geest komt jou te hulp. De Geest houdt de lijn tussen God en jou open. En niet voor een laatste kans. Maar tot in de gloria. Ze kiest niet de kant van jouw kracht, maar de kant van jouw kwetsbaarheid, de kant van jouw ongeloof. Van dichtbij kent ze de pijn, waardoor jij je geen raad meer weet met je geloof. “Zie wat ons hier wordt aangezegd,” zegt Bach, “en zing met me mee.”
Paulus beschrijft de Geest als de vriendin die mee puft met de aanstaande jonge moeder. Ze wijkt niet van haar zijde als zij zich geen raad meer weet. Woordloos zucht ze mee. Het is een beeld dat zwanger is van toekomst. Uit de verzuchting wordt een gebed geboren: “Laat uw koninkrijk komen en uw wil gedaan worden op aarde zoals in de hemel.”
Het derde deel van het motet is qua tekst gelijk aan de derde strofe van het lied “Komm, Heiliger Geist, Herre Gott.” van Maarten Luther. Het is in het liedboek voor de kerken opgenomen als gezang 240 in een vertaling van Ad den Besten. “Gij heilige gloed, zoete troost, / wees met ons dat wij onverpoosd / en vrolijk U ten dienste staan, / dan drijft ons niets bij U vandaan. / Schenk, Heer, ons kracht van uwe kracht, / geef ons de moed, geef ons de macht, / de goede strijd hier te strijden, / tot eindlijk Gij ons zult bevrijden. / Halleluja, halleluja!”
III
Ongecompliceerd gekeuvel met God in de luwte van het leven of het spaarzaam gebed op de rand van het zwijgen, beide komen misschien wel voort uit de gedachte dat het gebed het gereedschap van de gelovige is om te kunnen spreken met God. De vrolijkheid van Bach en Luther wordt echter geboren uit het goede nieuws dat het gebed een gave is van God. Een gave, waarin hij zelf meekomt en zich posteert naast de mens die niet meer geloven kan in de goede afloop. Een mens die nog slechts bidden kan: “Schenk, Heer, ons kracht van uwe kracht.” Groter hoef je niet te zijn. Als dat niet iets is om vrolijk van te worden..
In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Gebeden
Groot maken wij uw Naam, o God.
Een naam die niet te spellen is.
U houdt zich niet op in hogere kringen.
U ligt niet voor de grijp.
Uw Naam gaat rond over de aarde
in verhalen van mensen die geen gat meer zagen,
in liederen van hoop,
in gebeden die rust brachten in stuk geslagen levens.
Groot maken wij uw Naam.
Voor de lotgenoten van Job bidden wij,
de mensen op het randje,
geschoffeerd door het lot,
met de nek aangekeken;
voor mensen die dachten van de dood te zijn
tot er iets inbrak in hun godvergeten bestaan –
een onnoembare rust
een streep licht,
niet te grijpen door het donker.
Laat het uw nieuw begin zijn, God.
Tot u bidden wij: “Houd ons in leven, wees onze redding”
Dat de lofzang gaande wordt gehouden, bidden wij.
Voor zangers, cantors en musici
die ons meenemen tot voor de troon van God,
die ons leiden naar het binnenste van ons hart.
Sommige dingen kun je niet zeggen,
alleen maar zingen.
Tot u bidden wij: “Houd ons in leven, wees onze redding”
Voor ieder van ons persoonlijk bidden wij
als er niets meer over is van wat wij ooit geloofden
terwijl wij niets liever zouden willen dan dat God er nog was.
Laat mij dan de leegte verduren
en een leven lang wachten
op een stem uit de stilte.
Want God, ik verlang zo naar u.
Tot u bidden wij: “Houd ons in leven, wees onze redding”
Om stilte bidden wij
waarin alle stemmen tot zwijgen komen
en slechts het verlangen blijft
naar, naar u, naar u alleen.
Omwoon ons God.
…………………………………………
Onze Vader in de hemel
|