|
Genesis 11: 1 – 9
Handelingen 2: 1 – 11
I
Op de vijftigste dag van Pasen gebeurt het: Een ruisen vult het huis. Een ruisen als van een geweldig gedreven ademen. Een ruisen vanuit de hemel. Niet de traceerbare hemel die je omhoog doet kijken omdat je oog precies weet waar die zijn moet. Maar het “eensklaps” dat je verrast en uit je zelfgekozen evenwicht duwt. Een liefde die je van je stuk brengt. Een geweldig gedreven ademen als van God.
En dat gebeurt allemaal op die plek waar de vrienden van Jezus zich hadden terug getrokken. Een bovenkamer, een beetje weg van het alledaags gedruis. Een plek om te bidden en om te schuilen bij elkaar. Om te herstellen ook van verlies. Het verlies van Judas die de kring van vrienden had verlaten en eenzaam de dood had gevonden. De lege plek, die moest worden opgevuld.
Bidden blijft een riskante bezigheid. Je bidt om troost, om herstel en om ongestoord het geloof te beleven. En wat je ontvangt is de Geest met haar geweldig gedreven ademen, die zich te buiten gaat. Alles breekt open. Alles keert zich binnenste buiten. Jouw schuilplek wordt een huis voor de wereld. En de gemeenschap waarin je veiligheid zocht opent zich naar het alledaagse. Het slot gaat van de deur. Voortaan zal alleen de liefde van God nog jouw zekerheid zijn.
II Laat zij de kracht zijn van het festival dat vandaag in de Nieuwe Kerk begint met het openen van de deuren, waardoor de wind vrij spel krijgt en de stad door de kerk heen kan ademen. Mocht de kerk de indruk hebben gewekt een bovenzaal te zijn voor ietwat angstige gelijkgezinden – “Mijn God, hoe moet het verder met de kerk?”, deze week zal ze zich tonen van een andere kant. Huiskamer van de Hortus zal ze zijn, pleisterplaats voor Stadjers onderweg.
Zoiets kun je verzinnen. Maar echt organiseren kun je het niet. We moeten het hebben van de ontmoetingen, van de mensen. En bovenal van het geweldig gedreven ademen van de Geest. We spelen een spel deze week. Maar het is meer dan een spelletje. Het is je letterlijk openstellen voor de toekomst – “Kome wat komt!” Daarvoor heb je geen dappere dodo’s nodig, maar een ontvankelijkheid die de zegen over het spel aan de hemel overlaat.
Want laten we wel wezen, als je de deuren tegen over elkaar open zet, loop je de kans dat je het koud gaat krijgen. Die naar binnen gerichte houding van Jezus’ vrienden was niet zo gek. De wereld is niet leuk. En het is onzin om te denken dat het met de kerk vanzelf wel goed komt als ze haar deuren maar open zet. Er is rottigheid genoeg om je van af te willen sluiten.
En toch zal er voor de kerk geen toekomst zijn zonder het openen van de deuren en het vrij maken van het pad waarover mensen hun weg zoeken in het alledaagse. Dat heeft te maken met het onbestaanbaar verhaal dat God zich binnenstebuiten heeft gekeerd en zich leeg heeft gestort over alle mensen. Niet over de lieverdjes, maar over alle ‘vlees’, zegt de oude vertaling. Dat zijn mensen waar wat mee loos is; soms heel veel mee loos is. Net zo veel als met u en soms nog meer. Een kerk die de deuren dicht houdt, sluit zich af voor de liefde van God en de creativiteit van de Geest. Want haar adem waait niet van binnen naar buiten. Ze waait eensklaps vanuit de hemel. Ze vult het huis en blaast de deuren open. Zodat ze voortaan kan inademen en uitademen.
III
Het Pinksterverhaal uit Handelingen bouwt o.a. voort op het verhaal van de torenbouw in Babel. Daar wordt een stad gebouwd waar velen niet kunnen ademen. Jezelf zijn in Babel is je voegen in het gelid. Eén taal wordt daar gesproken. Handig lijkt me dat. Maar de verteller is het niet met me eens. Eén taal leidt de mensen niet naar elkaar toe; maakt je niet nieuwsgierig naar de ander. Eén taal zet alle neuzen in dezelfde richting.
Het leidt in Babel tot de bouw van een toren die de hemel bestormt. Die toren heeft verdacht veel weg van de voorraadsteden, die de slaven moesten bouwen voor Farao in het Angstland: de zelfde pek, de zelfde stenen, de zelfde machtsstructuur. Hij wijst weg van de aarde. De ene taal versmalt tot oneliners en de oneliners tot commando’s, zo weet de verteller uit de verhalen van vader op zoon en van moeder op dochter.
Die ene taal is een grote denkfout. Je denkt de hemel ermee te kunnen bestormen, maar je maakt het leven ermee tot een hel. In die hemel woont God niet. Als het zo gaat, kiest God er voor om te wonen in de hel, tussen de mensen die kapot gaan aan de bouw van de toren. Het is die God die zich in het Pinksterverhaal binnenstebuiten keert en zich leegstort op alle mensen, op alle vlees (om dat oude woord nog maar eens te gebruiken).
Jeruzalem is het tegenover van de vesting Babel. Jeruzalem is de stad die dorpsgewijs bewoond wordt, zegt de profeet (Zach. 2:8). Jeruzalem vertelt het verhaal van de verstrooiing over heel de aarde. Daar wordt niet één taal gesproken: Parten, Meden, Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Kappadocië, mensen uit Pontus en Asia, Frygië en Pamfylië, Egypte en de streken van Libië bij Cyrene, Romeinen, Joden en Jodengenoten. Ze vullen de straten en het tempelplein. En het grote wonder gebeurt: Ze hebben de ene taal niet nodig om de ander te verstaan en door de ander begrepen en gekend te zijn.
Vaak wordt de verstrooiing over de aarde en het afbreken van de bouw van de toren als een straf van God gezien. Dat komt omdat het ons moeilijk valt om God anders te zien dan als baas boven baas. Maar wie het uithoudt bij de Bijbelverhalen, hoort steeds opnieuw dat God de kant gekozen heeft van hen die verlangen naar een plek om zichzelf te kunnen worden. En Hij heeft zo naar hen geluisterd dat Hij klein geworden is als zij. Wat van zijn grootheid overbleef is een liefde die alle verstand te boven gaat.
IV
Met het openen van de deuren en het vieren van het Festival van de Geest, geven wij gehoor aan die verhalen. Te lang hebben we gedacht dat we de verhalen beter zouden begrijpen als we de deuren achter ons dicht zouden trekken. Daardoor heeft zich het misverstand postgevat dat wij een woord hebben voor de wereld, zonder dat de wereld ons iets te zeggen zou hebben. In barre tijden heeft de kerk, zonder het door te hebben, torentjes van Babel gebouwd om zich daar te vestigen en er de ene taal te spreken – de taal van de incrowd.
Zonder dat de kerk het wist (Ze had het kunnen weten), ging God zijn eigen ongekende gang. Ik kwam er opnieuw achter (want het is steeds opnieuw een ontdekken) tijdens een ontmoeting met een buur van de Nieuwe Kerk. “Er is geen buiten en geen binnen van de kerk,” zei ze. Er is slechts het suizen van het inademen en uitademen van de Geest. Daar en hier klopt Gods hart. Dat we er gevoelig voor mogen worden.
In de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen
|