|
Jesaja 65: 1 – 12
Lucas 8: 26 – 39
I
We zijn gewend de man die door demonen bezeten was een nieuwe diagnose te geven. We moeten wel, willen we dit verhaal in onze tijd serieus kunnen nemen. En daarom stellen we ons bij hem een psychiatrisch patiënt voor. Een van die moeilijk te behandelen klanten van Lentis, die thuisloos rondzwerven in Stad. Opgejaagd door stemmen, onrustig door wanen. De samenleving doet wat die kan om de overlast te beperken voor de klant en zijn omgeving. Maar niet alles is maakbaar. De stad in het evangelie doet ook z’n best om de man geen gevaar te laten zijn voor zichzelf en voor anderen. Ze boeiden zijn handen en voeten bij gebrek aan medicatie. Maar telkens bleek dat niet afdoende.
Wie zo het evangelie leest, is in staat het geloof te combineren met de moderne cultuur waarin wij leven en waarvan wij deel uitmaken. Demonen hebben opgehouden te bestaan. En we schudden ons hoofd over primitieve praktijken waarin met kruisen en gebeden gepoogd wordt zogenaamde duivels uit te drijven. Schadelijk voor de patiënt en slecht voor het imago van het geloof. Want de zoveelste bevestiging van haar vermeende achterlijkheid.
Een moderne lezing van dit genezingsverhaal maakt van Jezus geen duiveluitdrijver, maar een mens met uitzonderlijk grote gaven. Een verlichte geest die de menselijke waardigheid zo hoog in het vaandel had staan, dat hij niet wegliep voor een zieke geest die schoppend en scheldend zich staande probeerde te houden. Echte aandacht werkt genezend, weten wij. En dat lezen wij hier terug. We horen wat we al wisten.
Een moderne lezing is een veilige lezing. Hij brengt je niet uit evenwicht. Hij tast jouw autonomie als moderne mens niet aan. Je bent het verhaal de baas. De collectieve zelfmoord van de varkens, die zich in de ontknoping van het verhaal in de afgrond storten, moet je overdrachtelijk lezen. De demonen en de varkens staan voor een primitieve samenleving waarin een kwetsbaar mens geen poot heeft om op te staan. Jezus staat voor een moderne samenleving waarin aandacht en zorg centrale waarden zijn. En laat dat nou net de samenleving zijn waar wij ook voor staan. Het is bekend gebied.
II Maar zijn wij ook echt de baas van het verhaal? Kent het geen geheimen voor ons? Misschien is het een idee om ons eerst eens te identificeren met de leerlingen van Jezus. Want dat willen we, naast moderne mensen, toch ook zijn? De leerlingen brengen een vraag mee vanuit het verhaal dat hier direct aan vooraf gaat; – Het stormde. Ze maakten water en stonden op breken. Jezus sliep. Ze maakten hem wakker. Hij zag hun angst en stilde de storm. – de vraag: “Wie is hij toch dat zelfs de wind en het water hem gehoorzaam zijn?” (Luc. 8:25) Die vraag gaat mee naar het verhaal van vanmorgen.
Ze zijn de zee overgestoken. Het evangelie is als een steen in de vijver en beweegt zich over elke grens naar de uiteinden van de aarde. Dat is het thema bij Lucas. Het evangelie is niet bang zichzelf te verliezen in de steden en dus ook niet in de stad van de Gerasenen, over de grens van het vertrouwde. Die kant moet het op.
Wat opvalt in het verhaal is dat de leerlingen niet met Jezus aan land lijken te gaan in het gebied van de Gerasenen. Hun vraag “Wie is hij toch..?” gaat mee. Zij zelf lijken opgelost in het verhaal. Ze voeren mee. Maar hij stapte aan wal. Ze zijn niet de meesters van het verhaal. En dat zou ons als zijn leerlingen in deze tijd te denken kunnen geven. Wat laat het verhaal heel van onze autonomie? Ontmaskert het ons als mensen die het liefst in de boot blijven zitten, met de rug naar de stad en haar onrust? Waar zijn we gebleven?
III Of zijn we misschien de stedelingen die we tegenkomen in het verhaal? Dat is nog niet zo’n gekke gedachte. Wij hebben het evangelie immers ook niet zelf uit gevonden. Het is naar ons toe gekomen. Het heeft zijn werk gedaan en onze cultuur doordrenkt. Het heeft Stad gevormd.
Ook daar in de stad van de Gerasenen proberen ze economie en zorg voor elkaar te combineren en houden ze niet van onrust. Dat is slecht voor de economie en daar wordt niemand beter van. Dat een hele kudde varkens in de afgrond verdwijnt, is een dure grap. Daar kunnen we ons van alles bij voorstellen. Maar wat het meest intrigeert is de collectieve schrik wanneer de stedelingen de gek zien zitten aan de voeten van Jezus, gekleed en bij zijn volle verstand. Regelmatig hebben ze geprobeerd zijn gekte in te dammen door hem te boeien, ook voor zijn eigen veiligheid. Maar nu dat niet meer nodig is, is er de collectieve schrik. De gek wordt niet omarmd, zijn genezing niet gevierd. En Jezus wordt dringend verzocht het gebied te verlaten. “Wie is hij toch..?” Wat is hier aan de hand?
IV Is de schrikreactie van de stedelingen misschien ingegeven door iets wat ze onderbewust al wisten, een gedachte die je het liefst ver weg duwt en maskeert met aangepast gedrag, namelijk dat de bezetenheid niet het probleem van die eenling is, maar de ziekte van een hele samenleving?; dat er eigenlijk geen verschil is tussen de aangepaste burger en de schreeuwende gek?; dat hij jij is en jij hij? Iets dat je al weet als je de momenten kent waarop je door je fatsoen heenzakt en niet bestand bent tegen de eisen die de samenleving stelt en de ontwrichtende krachten die er aan het werk zijn – een bijkans demonisch roepen om orde en veiligheid, die precies het tegenovergestelde creëert?
Is dat ook niet het antwoord op de vraag aangaande Jezus: “Wie is hij toch..?” Want is hij niet degene die het demonische aan de kaak stelt; die achter de keurige gevel kan kijken en daar durft te komen? Is hij niet de Heer die een andere ongekende orde belichaamt, die jou in staat stelt om te komen van tussen jouw eigen graven vandaan – je angsten, je dood gelopen idealen, je wanhoop over wat er van je kinderen moet worden? Jij met je gekte die je in je verborgen eenzaamheid de baas probeert te worden, maar die steeds weer uit de boeien breekt?
Volgens mij maakt het niet uit of je je identificeert met de leerlingen of met de stedelingen. Jij bent die bezeten mens. Dat de leerlingen van Jezus geen rol spelen in heel het verhaal, dat is om ruimte te maken voor de erkenning dat jij als leerling van Jezus evengoed die bezeten mens bent als de stedelingen. Jij in het bootje van de kerk bent die mens in de rotsgraven. Je zit aan Jezus' voeten. Dat is de plek van de leerling. Alleen de belijdenis “Jezus is Heer!” maakt dat jij uit je bootje durft te komen, zoals die man uit de rotsgraven tevoorschijn kwam. Zonder die belijdenis en bouwend op fatsoen en eigen autonomie, is dat bootje van de kerk niet meer dan een graf.
Het wenkend perspectief van dit verhaal is de ongekende rust van het zitten aan de voeten van Jezus. Elke geloofsleerling is een genezen gek. Iemand die onttrokken is aan de demonische machten die van jou zelfredzaamheid eisen. Maar ook al hebben ze je in de greep en voel je de demonen in je lijf en ziel, ze hebben je niet. Je bent niet van hen. Je bent van Christus. Aan de buitenkant ziet de orde van de demonen er trouwens fraai en veilig uit. Maar aan de binnenkant rot hij weg en vallen mensen om; verliezen hun waardigheid en hun zelfrespect. Aan de voeten van Jezus komen ze thuis. Hij heeft hen gevonden. De toekomst is aan Hem.
In de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen.
|