|
1 Koningen 19: 19-21
Lucas 9: 51-62
I
Het gaat deze zondag om de navolging. In de lezing uit het Eerste Testament horen we hoe Elisa letterlijk alle schepen achter zich verbrandt en de profeet Elia volgt. In de lezing uit het Tweede Testament klinkt de roep om de navolging van Jezus.
Nog niet zo lang geleden was de navolging van Jezus een welkom alternatief voor gelovigen die het hadden gehad met het keurslijf van een geloofsleer waarin je niet kon ademen. Weg met het verlammende van ‘onbekwaam tot enig goeds en geneigd tot alle kwaad’ (Heidelberger Catechismus). Je brak ermee en vond de vreugde van het geloof terug in bijvoorbeeld de bergrede. Daar werd een appèl op jou gedaan: “Wees dan onverdeeld goed, zoals jullie hemelse Vader onverdeeld goed is”(Mattheüs 5:48)
Maar sinds we de vrijheid hebben gevonden om ons niets meer door anderen aan te laten leunen en het kerkse keurslijf bij de vodden hebben gezet, heeft ook de navolging zijn glans verloren. Wij hebben geen meester meer nodig. Wij gaan onze eigen weg. Ook in het geloof.
Radicale navolging heeft al heel wat ellende veroorzaakt. Van mensen die zich in naam van God en de heilige oorlog opblazen in een drukke winkelstraat, tot mensen die alle schepen achter zich verbranden en hun hele gezin op sleeptouw nemen achter een charismatische leider aan om zich in afzondering van de wereld voor te bereiden op de wederkomst van Jezus. We keuren het hartgrondig af.
II
Dat maakt het spannend vanmorgen. Er loopt een radicaal spoor door de lezingen. En het voelt niet prettig. Het is alsof twee werelden botsen, die elkaar niet verstaan. Woorden gaan over en weer, maar begrip groeit er niet. Noch tussen Elia en Elisa. Noch tussen Jezus en de mensen. Kleuren vloeien niet in elkaar over. De contrasten zijn groot. Het spat er van af.
“Laat mij afscheid nemen van mijn vader en moeder, dan zal ik u volgen,” zegt Elisa. En Elia antwoordt:“Ga. Keer terug. Want wat heb ik je gedaan?” Betekent het zoveel als: Wegwezen nu het nog kan? Of: Doe wat je niet laten kunt? Op bijna hetzelfde verzoek als dat van Elisa, antwoordt Jezus iemand: “Laat de doden hun doden begraven, maar ga jij op weg om het koninkrijk van God te verkondigen.” Nee, dit gaat niet wennen.
Wat is dat toch voor een wereld die hier botst op onze wereld? Vanwaar die bijna respectloze afstand tot het alledaagse? De man die Jezus vraagt zijn vader te mogen begraven, vraagt om tijd. Voor alle duidelijkheid: Zijn vader is niet gestorven, maar heeft de kracht van zijn leven gehad. En de zoon voelt zich verplicht de vader bij te staan nu hij oud geworden is. Hij zal Jezus volgen, maar nu nog niet. Eerst zal hij doen wat de Thora hem opdraagt: “Eer uw vader en uw moeder. Dan zult u lang leven op de grond die de heer uw God u schenkt.” (Exodus 20:12) Hij vraagt Jezus om tijd en om begrip maar krijgt die niet. “Laat de doden hun doden begraven…”
III
Misschien wordt ons het zicht op de botsing gegund als we proberen het Tweede Testament vanuit het Eerste te verstaan. Elia botst op Elisa terwijl die aan het ploegen was. Tot zijn komst gaat alles naar wens. Elisa bewerkt de aarde en verovert haar op de chaos. Zij zal haar vruchten voortbrengen, zoveel is zeker. De twaalf koppels ossen zijn daarvan teken en bewijs tegelijk. Twaalf is het getal van het totaal. Twaalf is alles en iedereen. Twaalf stammen telt Israël, twaalf apostelen kent de kerk. Twaalf is het getal van de gelopen race. Elisa ploegt, zaait en oogst op het ritme van de seizoenen. En er rust zegen op zijn werk. Twaalf koppels ossen, kom er maar eens om. De naam Elisa betekent ‘God helpt’ en dat blijkt maar al te waar te zijn in dit geval.
De komst van Elia verstoort de idylle. Je kon het verwachten. Elisa is namelijk een zoon van Israël. De naam ‘God helpt’ is niet af te lezen aan het succes van de ondernemer. Elisa is de zoon van Safat. De naam van zijn vader betekent ‘God zet recht’. In die naam is de zaak in het geding van mensen die zichzelf niet redden kunnen, hoe hard er ook geroepen wordt dat ze moeten leren hun eigen verantwoordelijkheid te nemen. “Uit mijn ogen met uw misdaden! Houd op met kwaad te doen. Leer liever het goede te doen, betracht rechtvaardigheid, help de verdrukten, verschaf recht aan de wezen, verdedig de weduwen,” (Jesaja 1:17) profeteert Jesaja. Dat is letterlijk de uitwerking van de naam Safat. Zo weten we de volgorde van de dingen weer. Elisa, de zoon van Safat. ‘God helpt’ (Elisa) lees je niet af aan de feiten, maar aan de belofte dat Hij komt en ‘recht zet’ (Safat).
Elia verstoort de idylle. Hij werpt zijn mantel over Elisa heen. Het is een veelzeggend gebaar. Elisa met zijn twaalf koppels ossen heeft geen extra jas nodig. Hij zit er al warmpjes bij. Ongevraagd wordt hij bekleed met de profetenmantel. Nu wordt hij pas echt Elisa, zoon van Safat – ‘God zet recht’. Elia werpt zijn mantel zoals Aäron zijn staf werpt voor Farao, heerser in Benauwenisland. Alle verhalen van bevrijding zitten in die profetenmantel en dalen op Elisa neer. Ongevraagd wordt hij bekleed met de kracht van God zelf. Om voortaan op een nieuwe wijze zoon van zijn vader te zijn en recht te zetten. Losgerukt van de grond die hem zo goed gezind was.
Op een bijzondere wijze neemt Elisa afscheid van zijn vader en moeder. Onze minister van economische zaken zou er niet blij mee zijn. De economie moet weer aan de praat – een soepeler ontslagregeling en langer doorwerken. Maar Elisa slacht de ossen en sloopt de ploeg om daarop het vlees te bereiden en het werkvolk te eten te geven. Het is een afscheid dat diep snijdt. Hij weet zich weggeroepen en apart gezet door God zelf. Niet Elia roept hem, maar God zelf. Misschien mag je dat opmaken uit de reactie van Elia: “Doe wat je niet laten kunt. Ik heb je niks gevraagd.” Voortaan zal Elisa de mensen dienen vanuit Gods hartstocht voor de gerechtigheid.
IV
En dat is toch net even iets anders dan de goede wil van beschaafde mensen, hoe blij we daarmee ook mogen zijn. Elk stukje menselijkheid is een zegen. Maar daarmee is het nog geen navolging. Navolging begint niet met het beste beentje dat voor wordt gezet. Ook niet met de slaafse gehoorzaamheid aan een charismatisch leider. Navolging is een plotseling in gang gezet worden, wanneer God zelf zijn vleugels over je uitslaat. Het is last en beschutting tegelijk. Aan de ene kant ben je kind van deze wereld met zijn goede wil en zijn halfslachtigheid, met zijn mooie woorden en zijn kleinzieligheid. Aan de andere kant ben je toekomstmens, door God bemind en uitgekozen, vrij van alle krachten waarmee mensen elkaar de dood aandoen. Volkomen vrij. Niet langer slaaf. Als God zijn vleugels over je uitslaat.
Dat kan voelen als een scheur die dwars door jezelf heen loopt. Maar een ding is zeker, je zult er niet in verdwijnen. Bodemloos ben je niet. God is boven je en onder je. En op de weg die je gaat is hij je reisgenoot.
Als Elisa straks zonder Elia verder moet en het water van de Jordaan hem de weg verspert, dan grijpt hij de mantel van Elia, slaat ermee op het water en schreeuwt: “Waar is de heer, de God van Elia?”(2 Kon. 2:14) Dan verdeelt het water zich naar links en naar rechts zodat Elisa kan oversteken. Is dat niet wat navolgers doen? Ze putten niet uit hun morele kracht, ze grijpen naar de verhalen van schepping en bevrijding. Ze roepen: “God, waar ben je?” In de hoop dat het opnieuw waar wordt, dat het water van de oervloed wijken zal en er een andere weg zal blijken te zijn dan de wegen van de wereld waarop mensen doodlopen en zichzelf en anderen kwijt raken.
“Laat de doden hun doden begraven, maar ga jij op weg om het koninkrijk van God te verkondigen,” zegt Jezus tegen een geroepen mens. Zonder die roeping is zulke taal niets anders dan afkeurenswaardige hoogmoed. Je moet wel weten wie er roept. Het is Jezus die zelf ons is voorgegaan op de weg door de diepte; die dode tussen de doden is geworden en met hen is begraven. In het vaste vertrouwen dat er op de andere oever van de diepte een land ligt waar niemand buitengesloten wordt en er een nieuw volkslied wordt gedicht door mensen die nog nooit een thuis hadden gevonden. Met wereldmijding of een hautaine houding ten opzichte van het alledaagse, heeft de taal van Jezus niets te maken. Maar waar het koninkrijk van God als een licht doorbreekt, daar is de oude wereld niet meer dan een land van doden. Haar glans verbleekt bij het licht dat uit God is. Ze moet zich gewonnen geven.
V
Soms weten we zomaar even dat het waar is. Met name die momenten dat we ondanks ons eigen aangeharkte paradijsje de schreeuw niet kunnen onderdrukken: “God, waar ben je?” Als de maskers vallen. Als de geveltjes de leegte erachter niet meer kunnen verhullen. Als ons huis op zand gebouwd blijkt te zijn. We dachten op eigen kracht de vrijheid gevonden te hebben die ons onafhankelijk maakt.
Maar hier komen we als geroepen. Hier wordt de profetenmantel over ons heen geworpen. Hier worden we door God toegeëigend voor een zaak die ons goede gedrag ver te buiten gaat en ons verstand te boven. Voortaan zullen we vreemden zijn in deze wereld. Gezonden, midden in die wereld, maar zonder enige angst voor ons hachje. Als het moet zonder een kerkgebouw waarin we onze ziel te ruste kunnen leggen – zonder nest, zonder hol. Geroepen om mens te zijn te midden van mensen die hun waardigheid zien afbrokkelen en bestolen zijn van hun zelfrespect. Om hen aan te zeggen en onszelf steeds weer te binnen te brengen dat we burgers zijn van een nieuwe orde. Onttrokken aan elke dood.
In de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest
Amen.
|