Exodus 24: 12-18
Matteüs 17: 1-9
I
“Sta op, wees niet bang,” zegt Jezus tegen zijn leerlingen. Na een ontstellende ervaring hadden ze hun gezicht verborgen in de aarde. Ook schoonheid kan een mens te veel worden – de stralende wolk, de hemelse stem. Ik herinner me nog de vluchteling van achter het ijzeren gordijn, die maanden met ons de pastorie deelde. Als op de piano Mozart werd gespeeld, kromp hij zichtbaar ineen en vroeg dan: “Wollen sie mich töten?” (“Wil je me soms doden?”)
Voor de ontstellende beelden die vanuit Japan de wereld overgaan, moet je soms wel je gezicht verbergen. Omdat het gewoon te veel is: de kracht van de elementen, de schaal van de verwoesting, de duizenden doden, de dreiging van een nucleaire ramp. Het ene moment kom je niet los van wat je ziet. Je houdt je adem in. De beelden slaan je in de boeien. Je moet wel kijken. Het andere moment kijk je weg omdat je geen antwoord kunt verzinnen op de vragen die je jezelf stelt. Vragen die het bouwwerk van jouw antwoorden slopen waarin je je min of meer veilig waande. Niets beangstigender dan dat. Alsof de tsunami de grond onder jouw voeten wegspoelt. Wat stelt een mens in godsnaam voor?
Als zich een ramp van deze omvang voordoet, staan er altijd mensen op die roepen dat het een straf van God is. Ze zeggen hardop wat anderen zich stilletjes afvragen: “Het zal toch niet dat…?” Want waar rampen gebeuren, daar duikt altijd ook de Godsvraag op. Met ratio heeft dat niks te maken. Met de siddering die het grootse teweeg brengt des te meer. God en de ramp gaan hand in hand, zo lijkt het wel. Na de watersnoodramp van 1953 vroegen theologiestudenten aan professor Miskotte of God er iets mee te maken zou kunnen hebben. Hij antwoordde toen: “Hij kan er niets mee te maken hebben, maar hij moet er iets mee te maken hebben.”
Hoe ziek je ook kunt worden van onheilsprofeten die over de ruggen van slachtoffers heen hun fundamentalistisch gelijk uitventen, ook een onaangedane rationele analyse van de feiten maakt nog niet dat je weer vooruit kunt. Daarvoor is de ramp te groot en ben je te veel van je stuk gebracht. Elke ramp roept zinvragen op, of je jezelf nu religieus noemt of niet. De godgelovige zal een antwoord moeten vinden op de vraag: “Waar was u, God?”
Wie een ramp over zich heen krijgt, begint zich trouwens niet direct zulke grote vragen te stellen. Zij is gebaat bij een antwoord op de vraag: “Wat zal ik eten?” Hij wil weten: “Waar kan ik slapen?” Zij moeten eerst het antwoord op de vraag: “Waar is mijn kind?” Pas later, zo veel later, wanneer een mens omkijkt en een eerste blik werpt op de ravage, die in zijn leven is aangericht, komen de vragen, die tot dan toe hooguit woordloos door het hoofd gingen: “Wat ben ik waard als mens?” Of: “Waar was u, God?” Dan begint de zoektocht naar antwoorden, waarmee je verder kunt en je weer grip krijgt op je leven.
Hoe verder je afstaat van het episch centrum van een ramp, des te eerder komen de vragen en volgen de antwoorden. Ze zijn ook minder zwaar en verstrekkend. Je hoefde niet op zoek naar voedsel, naar onderdak of naar je liefsten. Je hoefde je gezicht niet zo lang te verbergen in de aarde.
II
In het evangelie van deze zondag is er geen sprake van een ramp. Wel van een ontstellende ervaring. Zijn de beelden van een ramp soms niet om aan te zien vanwege de stomme en duistere krachten van de natuur, in het evangelie zijn het de lichtende verschijningen en de stem uit de wolk, die de leerlingen van Jezus te veel worden. Ze verbergen hun gezicht in de aarde. Het heilige is hen te veel. God is te groot.
In de lezing uit Exodus is de glorie van God voor het volk te zien als een verterend vuur op de top van de berg. God tooit zich daar met de krachten van de natuur. Het is maar een kleine stap van wat zij te zien kregen, naar wat ons in beelden is voorgeschoteld: Brandende huizen die voortbewogen op een alles verwoestende modderstroom. Nee, het is niet zo gek als mensen in verbijstering alleen nog maar het woordje ‘god’ kunnen uitbrengen. Het is een mens te machtig.
Mozes kan er over meepraten. Hij is omhoog geklommen en wordt op de top van de berg binnen geroepen door God in zijn heiligheid. Die toont zich voor Mozes in een wolk. Weer een natuurverschijnsel. “Veertig dagen en veertig nachten bleef hij op de berg.” (Ex. 24: 18) Het getal klinkt ons bekend in de oren. Vandaag is het immers de tweede zondag in de Veertigdagentijd. Een periode van bezinning en van vasten. Maar dat klinkt toch te braaf. Is het niet meer het loslaten van alle beelden die je je van God gevormd had? Geen hand voor ogen zien. Blind varen op een roepstem. Zeggen: God zegene de greep. Je laten overweldigen. God opnieuw ontdekken.
Als Mozes zich in het evangelie op de berg bij Jezus voegt en een lichtende wolk hen overwelft, is dat voor hem de zelfde ervaring als toen hij de berg beklom om de stenen platen in ontvangst te nemen waarop God zijn leefregels had geschreven. Alleen staat hij er nu met lege handen. En in plaats van de stenen platen, een mens rechts en een mens links van hem – Jezus en Elia. Beide ook met lege handen.
Ja, wat doet die laatste daar? Elia, nog zo’n bergbeklimmer van God. Volgend jaar lezen we op deze zondag weer over hem. Hij spoorde de mensen van zijn tijd aan om radicaal te kiezen voor een samenleving, gebouwd op de leefregels van Mozes. Vorsten die niet horen wilden, moesten het maar voelen. Hij riep om het vuur van de hemel en om de toorn van God. Want die gedroomde samenleving zou en moest er komen. Maar aan het eind van zijn Latijn, beklom hij eenzaam en alleen de berg. En in een holte van de nacht kwam het natuurgeweld voorbij waarin hij God vermoedde: de wind die bergen deed splijten, de aardbeving die rotsen stuk scheurt, het vuur dat alles verteert. Maar pas als de stem van de stilte klinkt; pas als het binnen en buiten hem niet langer stampvoet en raast en vlamt; pas als hij daar met werkelijk lege handen staat, pas dan……
Daar staan ze met z’n drieën. Mozes en Elia spreken met Jezus. We weten niet waarover. Maar misschien ging het ook wel over de verandering die God in de tijd heeft doorgemaakt, sinds hij met zijn volk op zoek ging naar het land waar de tafel voor iedereen gedekt staat en ieder mensenkind telt.
Want is hij niet begonnen als berggod? Als een die op eenzame hoogte de regie voert over de winden, die regen of droogte geven? Een die ontzag afdwingt met donder en geweld? Nog volop herkenbaar is hij in het verterend vuur op de top van de berg, zoals het volk in de woestijn dat zag en sidderde. En deed Elia geen beroep op die kanten van God toen hij de overwinning wilde forceren in de strijd met een andere godsdienst en het vuur van de hemel bad, om daarna een slachting aan te richten onder concurrerende priesters?
Wat is er toch met God gebeurd dat hij zijn glorie niet meer toont in een verterend vuur dat ieder mens op afstand houdt? Wat maakte toch dat hij zich terugtrok uit de wind, uit de aardbeving en uit het vuur, om Elia in de holte van de nacht bijna aan te raken met het geluid van de stilte? Wat maakte toch dat de wolk waar ooit Mozes een berg voor moest beklimmen om er in te mogen gaan, nu als een zachte en lichtgevende kracht de drie daar overschaduwt? Wat veranderde het stomme lawaai van storm, vuur en beving in een stem die zegt: “Dit is mijn geliefde Zoon, in hem vind ik vreugde. Luister naar hem!” (Mat. 17:5)?
Ik weet het niet. Maar zou het liefde kunnen zijn – dat woord dat uitgeleverd is aan het alledaags gemodder en dat zich niet verdedigen kan dan met wat ze zelf is? Zou het liefde kunnen zijn? Vraag het aan Maria. Zij weet wat het is als de Geest van God een mens overschaduwt. Uit haar is geboren dit mensenkind dat daar staat te stralen als de zon, tussen Mozes en Elia in.
IV
Na een ramp komt het moment dat iemand die haar gezicht verbergen moest in de aarde, omdat de werkelijkheid niet te harden was, weer overeind moet kruipen. Dan bestormen haar de vragen waar ze wat mee moet, terwijl ze al zo veel moet: “Wat ben ik waard als mens?” En misschien ook: “Waar was u, God?”
In het evangelie van deze zondag begint de terugtocht uit de verpletterende hemelse ervaring naar beneden, naar het alledaags gemodder, met Jezus die op zijn leerlingen afkomt en hen aanraakt. Nee, het is meer dan dat. Het is eerder een omarmen dan een feitelijk aanraken. Om dat te doen bij mensen die hun gezicht verborgen hebben in de aarde, moet je bukken; heel diep bukken. Tot je een vermoeden hebt wat ze doormaken. Pas dan kun je zeggen wat hij zegt: “Sta op. Wees niet bang.” Is dat ook niet het eerste antwoord op de vraag: “Wat ben ik waard als mens?”
Ja, en is dat misschien ook het eerste antwoord op de vraag: “Waar was u, God?” Het hemelse tafereel op de top van de berg weerspiegelt zich in het aards gebeuren waarin een mens zich diep bukt om een medemens te omhelzen die gevloerd ligt, met het gezicht verborgen in de aarde. Als ze opkijkt ziet ze geen God, maar (zoals het evangelie zegt) niemand behalve die ene, Jezus alleen. Alle heiligheid van tempels, kerken en offerplaatsen, is gaan zitten in zo’n moment. Een moment dat ruimte geeft aan het mooiste dat bestaat: een mens die opstaat en niet bang meer is.
In de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen.
|