|
Johannes 9
I
Vorige week zondagavond kwam iemand de kerk binnen. Ze zocht een plekje en ging zitten. Maar even later stond ze toch weer op en verliet de kerk, nog voor de dienst begon. Tegen de diaken zei ze: “Ik voel me hier niet welkom.” Deze antwoordde: “Maar je bent welkom.” Toch ging ze. “Mag ik het boekje meenemen?,” vroeg ze nog. “Natuurlijk!”
Een kwetsbaar moment voor de vrouw en de diaken. Je kunt als representant van de kerk in de verdediging schieten: “Wat doen we niet goed?” Of: “Zie je wel hoe gesloten we eigenlijk zijn!” Je kunt het van je af laten glijden: “Moet jij weten. Je bent een vrij mens.” Of: “Die zal wel problemen hebben.” Schiet je niet in de verdediging of in zelfbeschuldiging, dan gebeurt wat er gebeurde. Even was er contact in het voorbij gaan. Er werd kwetsbaarheid gedeeld. De bezoeker kon niet blijven. De diaken kon het niet keren. Er was onmacht van beide kanten. Wat achterbleef in de kerk was het verdriet om die ene mens en om de eigen onmacht haar vast te kunnen houden.
II
Het evangelie van deze zondag begint met het naar buiten gaan van Jezus. Hij komt uit de tempel en krijgt nog net geen stenen nagegooid. Leg je dit begin op wat er vorige week hier gebeurde, dan maakt Jezus dezelfde beweging als de bezoeker die niet kon blijven en weer naar buiten ging. Het is een puur associatieve verbinding. Maar soms helpt het om een alledaags tafereel en een Bijbelverhaal speels op elkaar te leggen. Soms zie je dan iets wat je daarvoor zo niet gezien had. Trouwens, gaat het in dit Bijbelverhaal niet over zien en niet zien?
Jezus verlaat voortijdig de tempel. De bezoeker verlaat voortijdig de kerk. Dat maakt die twee nog niet aan elkaar gelijk. Maar ze bevinden zich in elkaars nabijheid. En dat helpt ons weer om de bezoeker niet tot een problematisch geval te verklaren. Haar worsteling, haar pijn, zijn in zekere zin herkenbaar in de worsteling en de pijn van de lijdende Christus. Het is dus niet zo dat Christus per definitie met zijn gemeente samenvalt. En ook dat is soms goed om te bedenken. Hoe vaak gaan we niet gebukt onder het hoge ideaal om de mond, het hart en de handen van Christus te zijn in deze wereld? En hoe hard kan het dan aankomen als iemand zegt zich niet welkom te voelen, terwijl we onze stinkende best doen.
Staat Christus nou aan de kant van de diaken of aan de kant van de letterlijke kerkverlater? Ik zou deze keer het antwoord in het midden willen zoeken: in het machteloos contact tussen die twee, in de blikwisseling, in de klacht en in het antwoord, in het aanreiken van het boekje en in het ontvangen, in de eenzaamheid van de ene die weg gaat en het verdriet van de ander die achterblijft.
Het evangelie zegt: “Bij het naar buiten gaan ziet hij een mens, die blind is sinds zijn geboorte.” (vers 1) ‘Mens’ is een sleutelwoord in de lezing. Het komt acht keer voor en wordt gebruikt om zowel Jezus als de mens, die eerst blind was, aan te duiden. In de NBV wordt het woord op verschillende manieren vertaald: iemand – man – mens. Het evangelie begint dus met: Jezus ziet een mens. Hij ziet geen geval. En ook geen blindgeborene. Hij ziet een mens.
Is dat ook niet wat er vorige week gebeurde, vóór aanvang van de dienst die als thema had ‘Wie ziet me staan?’ Twee mensen die in het voorbijgaan elkaar als mens zagen en zich geen raad wisten. Zo was Christus in hun midden. Maar ze werden ook gezien. De een door de ander en de ander door de een. Niet alleen Christus was dus in hun midden, maar ook de mens die blind was sinds zijn geboorte. Er was ook blindheid in het spel.
III
“Ik voel me hier niet welkom,” zei de bezoeker die vertrok. Had ze gelijk, ondanks het antwoord van de diaken: “Maar je bent welkom!”? Had ze ongelijk? Het doet niet ter zake. Het was haar gevoel.
Een van de grote problemen van deze tijd is misschien wel dat we ons niet meer welkom voelen. Ja, als we ons goed in ons vel voelen zitten, dan wel. En als we onze plek bevochten hebben in de een of andere kring, dan ook. Maar niet zonder meer en zonder voorwaarden vooraf. De tafel waar je zo maar aan kunt schuiven en waar je nauwelijks wordt begroet omdat je toch al werd verwacht, die tafel staat er niet meer.
“Ik voel me hier niet welkom,” is niet het verwijt aan de ander. Het is in de eerste plaats een noodkreet van een modern mens, die geleerd heeft dat ze zichzelf zal moeten verkopen en daartoe op dit moment niet in staat is. Niemand verwacht je. Niemand mist je. Hoewel? Nadat ze de klacht geuit had en die gehoord was, werd ze wel degelijk gemist door de diaken die haar moest laten gaan. Dit was geen geval. Het was een mens. Een die herkenning oproept. Een die is als jij. Een die jou bepaalt bij je eigen eenzaamheid en gemis. Want hoe wankel is het leven niet en hoe zeldzaam de plekjes waar jij je werkelijk thuis voelt en welkom.
Niet dat we terug willen naar vroeger, tot achter de dijken van ons kent ons. Daarvoor is ons blikveld te ruim geworden. En voor zover we het wel willen, is het vooral de schrikreactie die deze tijd bij ons teweeg brengt. Want je moet je op dat grote speelveld wel kunnen verkopen. En het is ook wel handig om een pinpas op zak te hebben en niet te vaak te hoeven lezen op het scherm van de geldautomaat dat u saldotekort hebt. Want armslag kost geld. Kun je niet en heb je niet, dan ben je aan de goden overgeleverd. Dan zien ze je niet. Nee, dan zien ze je aankomen. Een probleemgeval.
Overigens kende ook die goeie ouwe tijd zijn probleemgevallen. Want o wee als je niet kon ademen in het ons kent ons. Als je net even anders was. Als je je seksuele geaardheid moest verbergen omdat homoseksualiteit bij ons natuurlijk niet voorkwam. Of als je levenslang werd aangekeken op een misstap waar niemand je over aansprak.
IV
Voor de leerlingen van Jezus is de blinde een geval. Ze spreken over hem, niet met hem. Als ouderwetse doktoren die bij het stellen van de diagnose niet gestoord wensen te worden door de patiënt die het betreft. Hij wordt niet gezien. Hij wordt bekeken. Selectief bekeken. “Rabbi, hoe komt het dat hij blind was toen hij geboren werd? Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?” (vers 2)
Het lijkt een vraag van vroeger, toen een strenge God nog de paaltjes zette van het ons kent ons en overschrijding van de grenzen zonde heette, waar de straf op volgde. Maar het is evengoed een vraag van nu: “Hoe komt het dat hij maar niet aan een baan te helpen is? Hoe komt het dat zij in de schulden is geraakt? Hoe komt het dat ze maar geen hardwerkende Nederlanders willen worden? Is het eigen schuld of de schuld van die achterlijke cultuur van hen?”
Heel dat prachtig evangelie van deze zondag wordt geboren uit dat begin: “Bij het naar buiten gaan ziet hij een mens.” (vers 1)
Hij ziet een mens. Geen probleemgeval. Integendeel, hij ziet een mens in wie Gods werk zichtbaar moet worden. En dat gebeurt in dit verhaal. Ze herkennen hem na zijn genezing niet eens weer. Hij spreekt voor zichzelf. Met humor en groeiend inzicht. Tot grote ergernis van hen die aan de touwtjes trekken. Ze worden zelf tot tragische gevallen. Alleen zien ze dat niet.
De genezing begint als Jezus hem ziet bij het naar buiten gaan. Hij is een mens, geen willoos slachtoffer van een gebedsgenezer. Hij moet zelf gaan om zich te wassen in het bronnenbad Siloam, nadat Jezus slijk van de aarde op zijn ogen heeft gelegd. Het geval wordt een mens met een zending. Want Siloam wordt vertaald met ‘Gezondene’. Hij gaat en wordt genezen.
Het is belangrijk om te onthouden dat het verhaal op gang komt bij het uitgaan van Jezus uit de tempel. Hij verlaat de plek waar de antwoorden en de rituelen heilig zijn verklaard. Hij gaat naar buiten, waar zich de mensen bevinden die met die antwoorden niet leven kunnen en zich door de rituelen buiten gesloten voelen. Zijn gang naar buiten is tegelijkertijd zijn gang naar het kruis. Onderweg daar naar toe ziet hij mensen, geen gevallen. Hij ziet ze niet vanuit de hoogte met een hoge moraal, maar hij ziet ze van beneden en staat oog in oog met hen. Hij ziet ze omdat hij een van hen geworden is: afgeschreven mensen, stapeltjes dossiers, brokkenpiloten. Hij legt over hen de glans van Pasen. Hij maakt hen tot gezonden mensen.
Christus is het licht voor de wereld. Dat is de boodschap van vanmorgen. Hij is het grote alternatief voor het ons kent ons, inclusief dat van de kerk. En hij is het alternatief voor de onbegrensde wereld waarin je vechten moet om gezien te worden. Christus is het licht dat ons in staat stelt om in de ander een mens te zien.
In de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen
|