Home Overwegingen Zondag 8 mei 2011 - ds. Evert Jan Veldman
Zondag 8 mei 2011 - ds. Evert Jan Veldman PDF Afdrukken E-mailadres
Geschreven door Ds Evert Jan Veldman   
zondag 08 mei 2011 09:52

Genesis 4: 1 – 17

I

“Waar is Abel, je broer?” (vs. 9) Een vriend, sinds mijn kindertijd, noemt dat een horizontale vraag. Op weg van het voetbalstadion naar huis, wil hij van me weten wat er nog rest van mijn geloof. Geloof je nog in God? Geloof je nog in een hemel? Geloof je nog in een leven na de dood? De vragen zitten hem hoog, maar de persoonlijke antwoorden die ik hem geef bevredigen hem niet. “Wat jij zegt is horizontaal. Ik bedoel: verticaal.” Horizontaal is dan wat er aan God gedaan wordt tussen de mensen op aarde. Verticaal is het lijntje tussen de hemel en de aarde, tussen het kerklied en de engelenzang, en tussen God en jou persoonlijk.

“Waar is Abel, je broer?” Het is een beladen vraag. Zeker in de afgelopen dagen waarin we opnieuw bepaald werden bij de doden die vielen in de strijd om de vrijheid. En meer in het bijzonder bij de honderdduizend Nederlandse Joden die de dood vonden in de vernietigingskampen van de Nazi’s. Onbekommerd spreken over het verticale lijntje tussen de hemel en de aarde, lukt alleen wie zijn oren dicht doet voor de schreeuw van al die uitgewiste namen.

Onbekommerd spreken over Gods aanwezigheid in en tussen de mensen – de horizontale kant van het geloofsverhaal, is niet veel makkelijker. Ja, ze waren er: de mensen die zich vanuit overtuiging hebben verzet tegen de machinerie van de rassenwaan. Maar ze waren er mondjesmaat. En niet in staat het tij te keren van gekte en gehoorzaamheid. Verticaal zweeg de hemel. Horizontaal mocht God ook al geen naam hebben.

“Als er een God bestaat, dan zal Hij het me vast niet kwalijk nemen dat ik niet meer in hem geloven kan,” zei de Joodse man tegen mij die voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog weer een voet zette in de Synagoge bij de Bar Mitswa viering van zijn kleinzoon. En hij wees me ondertussen de plekken aan waar welke familie gezeten had. Ze zijn niet meer.

“Als er een God bestaat…” Moet ik hem dan zoeken in mijn kindertijd waarin hij verticaal en horizontaal met zekerheid van zich deed horen? Moet ik hem zoeken in de trilling die de liturgie te weeg brengt in mijn ziel of in de ontmoeting met een mens waarin ik me voor even opgetild weet boven het gewone?

Of laat hij zich misschien vinden in het Woord, in het verhaal? Hij die tot Kaïn zegt: “Wát heb je gedaan! – een stem! – stromen bloed van je broeder schreeuwen mij toe van de bloedrode grond!” (vers 10) Mijn vriend vroeg mij: “Geloof jij nog in een leven na de dood?” Het verhaal van vanmorgen geeft op die vraag op een bijzondere wijze antwoord. Het eindigt niet waar de mens opstaat tegen zijn broeder en hem vermoordt. Het leven na de dood manifesteert zich in de vraag van God: “Waar is Abel, je broer?” en in de schreeuw van God: “Wát heb je gedaan!” – een schreeuw uit het schreeuwen van Abel geboren.

II

Tussen Pasen en Pinksteren lezen we dit jaar de oerverhalen van Israël. Ze vertellen over de wording van hemel en aarde en over de schepping van de mens. Ze werpen licht op de vragen van goed en kwaad en op samenlevingsvragen die zich aandienen als de steden ontstaan. God wandelt in deze verhalen nog rond met de mensen. Ze staan dichter bij de sprookjes dan bij wat wij onder geschiedschrijving verstaan. Adam en Eva, Kaïn en Abel, Henoch en Noach – het zijn tijdloze verhaalfiguren.

Maar er is een groot verschil tussen Kaïn en Abel, en Hans en Grietje. Het is het verschil tussen een verhaal dat jou nooit meer met rust laat; een verhaal waarin je Gods stem vermoedt, en een fantasieverhaal. Kaïn en Abel, dat ben jij en je broer (jij en je zus). Hans en Grietje bestaan alleen in het sprookje.

De namen Kaïn en Abel zijn cruciaal om het verhaal te kunnen verstaan. Kaïn is afgeleid van het werkwoord ‘verwerven’. Als Eva hem gebaard heeft, roept ze uit: “Verworven heb ik een man, bij de Ene!” (vers 1) Hij mag er zijn. Hij doet er toe. Het is een man die in de schaduw van een god kan staan. Geen halfgod, maar het scheelt niet veel. Abel betekent ijlheid. Hij stelt niks voor. Hij is te licht om er toe te kunnen doen. Bij zijn geboorte wordt er niet geroepen. Hij is er. Maar het houdt niet over. Het wijsheidsboek Prediker speelt met zijn naam (met dat woord): “Lucht en leegte, zegt Prediker, lucht en leegte, alles is leegte.” (Pred. 1: 2) Nou, dat is Abel. Pluisje zou je hem ook kunnen noemen. Je blaast een keer en hij is weg.

Kaïn en Abel, zijn het niet twee kanten van het menszijn die we in ons dragen en die – dan weer de ene (Koninklijke), dan weer de andere (kwetsbare) kant – oplichten, wanneer we oog in oog met de ander staan. Kaïn en Abel worden vlees en bloed in ons. Daarom ook is dit een verhaal dat ons nooit meer met rust laat.

III

Als beide broers een offer brengen uit dankbaarheid voor het goede dat de aarde hen geeft, vertelt het verhaal dat de HEER Abel en zijn offer opmerkt, maar voor Kaïn en zijn offer geen oog had (vers 4 en 5). Het is een raadsel waarom. Waar komt die voorkeur van God vandaan?

Anne de Vries loste het in zijn kinderbijbel op door Kaïn af te schilderen als een ondankbaar mens en Abel als een dankbare en gelovige jongen. Twee plaatjes onderstreepten zijn verhaal. Op het ene is een mens te zien die naast het altaar knielt, met het gezicht naar de hemel. Op het andere iemand die naast het altaar knielt, met het gezicht naar de grond. Op het ene plaatje stijgt de rook van het offer recht omhoog naar de hemel. Op het andere buigt de rook af. In een oogopslag wist je als kind wie je wilde en hoe je hoorde te zijn. Welk kind wil er immers afgewezen worden door zijn Vader? Van raadsels was geen sprake.

Maar het verhaal vraagt om meer dan een oogopslag. Het raadsel van Gods onverklaarbare voorkeur wordt door een vroom gemoed niet opgelost. Het zit niet zus. Het zit niet zo. Levenslang moet je het doen met Gods onverklaarbare voorkeur voor Abel; voor broer Pluisje, voor zus IJlheid. Ja, dat is wel een deel van het antwoord. Heel de bijbel door getuigen wetten, liederen en verhalen van Gods voorkeur voor de armen. Daar kun je niet omheen. Maar het lost het raadsel niet op. Het maakt de vraag waar Hij was in Auschwitz alleen maar urgenter. “Als U uw blik richt en uw oor opent voor de gebeden van de Abels, waar was U dan?”

In het verhaal roept God uit: “Wat heb je gedaan?” Het is alsof hij de schreeuw van de gedode Abel overneemt. “Een stem! – stromen bloed van je broeder schreeuwen mij toe van de bloedrode grond!” (vers 10) Niet heersend vanuit de hoogte is Hij God. Maar horend vanuit de diepte. Niet in staat ooit te vergeten de schreeuw van de Abels. Die God komt naar ons toe met een vraag. Dichter bij God kun je niet komen dan te horen die vraag: “Waar is Abel, je broer?” (vers 9) Het ontwikkelen van een persoonlijk relatie met God (wat we daar ook onder mogen verstaan..) gaat altijd via het horen en beantwoorden van deze vraag: “Waar is Abel, je broer?”

IV

Op die vraag antwoordde Kaïn: “Mij onbekend.” Komt dat antwoord ook u niet bekend voor? Onze samenleving heeft altijd een Kaïnskant gekend, maar altijd was er ook oog voor de Abelskant. De vraag: “Waar is Abel, je broer?” werd altijd wel ergens gesteld en zeker niet alleen binnen de muren van kerken. Ik heb het idee dat we steeds makkelijker wegkomen met het antwoord van Kaïn: “Mij onbekend.”

Dat is een gevaarlijke ontwikkeling. En ik zeg dat vanmorgen ambtshalve als dienaar van het heilig Woord. De naam Kaïn is afgeleid van het woord ‘verwerven’. Dat woord is een doel op zich geworden in de wereldeconomie. Er wordt heil van verwacht. De vraag van Kaïn: “Ben ik mijn broeders hoeder?”, wordt negatief beantwoord. Je bent je broeders concurrent of handelspartner. En je zuster moet leren voor zichzelf op te komen. Zo nemen de verworvenheden toe.

Maar het verhaal van vandaag zegt iets anders: Adam bekent Eva – dat oude woord voor seksuele gemeenschap. Uit het kennen en erkennen wordt in de bijbel toekomst geboren. Verwerven heeft alleen toekomst als het gedeeld wordt met de Abels. Het antwoord op de vraag van God: “Waar is Abel, je broer?”: “Mij onbekend.”, is een streep door de toekomst die God in gedachten heeft.

Veel mensen zijn op zoek naar God en kunnen Hem niet vinden. Dat is geen wonder in deze tijd. Ook de kerk gaat het niet meer vanzelf af. Maar zij zou moeten weten waar ze zoeken moet. Opzij kijkend, de blik richten op de Abels, het oor te luister leggen bij hen, wier verhaal niemand nog wil horen. Wie zo leert kijken, wie zo leert luisteren, loopt zo maar kans om God te ontmoeten.

In de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.

Amen

 


Copyright © 2009-2012 Nieuwe Kerk Groningen. Alle rechten voorbehouden.

 

 
festivalvandegeest