|
Genesis 9: 1 – 17
Johannes 17: 1 – 13
I
Een zakenman in pak en in een stevig tempo op weg naar een afspraak, zag ik de pas inhouden. Hij keek opzij naar de donkere lucht waartegen de regenboog afstak. Hij deed een stap terug om de regenboog zo goed mogelijk te kunnen zien.
Schoonheid blijft trekken, blijft storen. Al heel lang kennen we het geheim van de regenboog. Het is niets anders dan zonlicht dat in regendruppels breekt en in zeven kleuren uitwaaiert tegen een donkere achtergrond. Toch blijft de zakenman staan terwijl hij wel wat beters heeft te doen.
Gefascineerd raken door de regenboog is van alle tijden. Als ik de zakenman gevraagd had waarom hij even halt hield, had hij misschien gezegd: “Niet alledaags, zo’n regenboog.” Of: “Mooi!” Of: “Groots!” Of misschien had hij wel gezegd: “Het kind werd even in mij wakker.”
Maar ik denk niet dat hij me een heel verhaal verteld zou hebben over goden die de regenboog maakten als wandelbrug tussen hemel en aarde. Of over de regenboogslang die met zijn gekronkel rivierbeddingen uitslijt in de droge aarde en die vult met regenwater, zodat de woestijnen tot leven komen. Of over een god die na de grote vloed besloot zijn veelkleurige strijdboog neer te leggen, omdat hij toch te veel van mensen hield. Dat is het verschil met onze voorvaders en voormoeders. Zij hadden een verhaal bij hun verwondering. Wij hebben die niet meer.
II
De lezing van vanmorgen, het slot van het zondvloedverhaal, hoort thuis in het rijtje mythische verhalen over de regenboog. Het is niet zo bijzonder, dat het een aparte status verdient tussen de andere verhalen. Ook de mythe van de regenboogslang vertelt een verhaal over een grote vloed waarin alles en iedereen omkomt. De slapende slang in het meer wordt per ongeluk wakker gemaakt door een visser. Het verstoorde beest doet het meer overstromen en laat de regen neerdalen.
Voor de kerk maakt het verhaal van Noach en de regenboog deel uit van de Heilige Schrift. Dan mag het nog een mythe zijn, maar wordt het meer dan zomaar een oud verhaal. Heilige Schrift wordt geschreven met levende woorden. Woorden die je omhelzen. Woorden die je tegen spreken. Je kunt je er niet aan onttrekken. Want ze laten je niet met rust.
U en ik verschillen niet van de zakenman die zijn pas inhoudt bij het zien van de regenboog. Wij herkennen zijn verwondering. En net als hij hebben wij geen verhaal meer waarin je wonen kunt; geen verhaal dat alles verklaart en op z’n plek laat vallen. In plaats van het verhaal zijn de feiten gekomen. Geen God of mythische macht komt er nog aan te pas om de wereld te verklaren en de dingen te doorgronden. Mensen leven als losse atomen met elkaar, maar vooral langs elkaar heen. Het grote verhaal, dat hen ooit aan elkaar verbond, is uitverteld.
“En de Heilige Schrift dan?,” vraagt iemand zich af. Een goede vraag. Er is een tijd geweest dat de kerk deed alsof dat haar verhaal was. Ze kende de punten en de komma’s. Ze leidde er uit af wat mocht en niet mocht. Ze haalde er haar kennis uit van hemel en aarde. Ze doorzag tijd en eeuwigheid. Maar dat is verleden tijd. De bijbel heeft zijn heilig aureool verloren. Terecht? Nee, we willen niet terug naar toen. En toch wil het maar geen gewoon boek worden.
Zou het kunnen zijn dat het heilige van de Schrift zit in de aanspraak, in de kritiek, in de troost? Zou het kunnen zijn dat de Heilige Schrift niet ons verhaal is, maar dat het eerder andersom is; dat het een levend Woord is dat ons blijft zoeken met al onze kennis en in al onze eenzaamheid?
Vergelijk het met de regenboog die de zakenman stoorde in zijn loop van de ene afspraak naar de andere. Niemand zei “Stop!” en toch hield hij halt. Hij kon zich niet onttrekken aan de schoonheid. Een seconde of wat, die voor hem een eeuwigheid mochten duren. Zo stoort ons, moderne mensen, het levende woord van de Heilige Schrift.
III
Vanmorgen horen we over het verbond dat God ongevraagd met de kinderen van Noach sluit. Elk voor wat hoort wat ontbreekt. “Nooit weer zal alles wat leeft door het water van een vloed worden uitgeroeid, nooit weer zal er een zondvloed komen om de aarde te vernietigen.” (vers 11) God kondigt eenzijdig een staakt het vuren af. De boog in de wolken is van dat verbond het teken.
Er is iets in God veranderd. De zondvloed was zijn reactie op de slechtheid van mensen. Diep gekwetst was hij, zegt het verhaal. Hij had zich even boos gemaakt en weg was al wat leeft, op dat arkje na dan. Zo gaat dat in de mythen. Zo doen goden als het hen niet zint. Maar het is alsof God zelf niet onaangedaan uit de ramp tevoorschijn is gekomen. Tot twee keer toe klinkt het: “Nooit weer…”. De boog in de wolken is daarvan het teken. Het Hebreeuws kent geen apart woord voor regenboog. Wat je in de wolken ziet, is de strijdboog van God die hij heeft afgelegd. Voortaan zal hij zonder lopen. Iets van zijn mythische glans heeft hij achter zich gelaten.
Er is iets in God veranderd. Hij is niet meer de God die alles even regelt, stuk slaat en recht zet. Zijn wapen is voortaan het verbond met al wat leeft. Zoals gezegd: een eenzijdig verbond. Hoe de nazaten van Noach zullen reageren op dat “Nooit weer!”, is niet aan hem. Zijn boog heeft hij afgelegd. Hij kan hen niet meer bestoken met zijn goddelijk wapentuig. Voortaan kan hij alleen nog maar proberen hen in het hart te raken.
Dat is een risicovolle strategie. Want er mag iets in God veranderd zijn, is er in de mens ook iets veranderd? In een aanval van idealisme, zou je kunnen denken dat de oude mens voorbij is en de nieuwe mens een feit, als de ark open gaat. Het verhaal ziet dat anders. Het kwaad is niet verdwenen. Want wat zegt God: “Nooit weer zal ik de aarde vervloeken vanwege de mens, want alles wat de mens uitdenkt, van zijn jeugd af aan, is nu eenmaal slecht.” (Gen. 8:21)
Huub Oosterhuis schreef hierover het gedicht “Aan de regenboog”: Hij zag de treinen rijden het zwarte gat in. / Hij zag uit de ovenpijpen de lege rook. / Hij hoorde de vloed / op de sluisdeuren beuken. / Hij strekte zijn hand al / / toen zag Hij opkomend licht / brekende wolken zonwaterstralen / / in zeven kleuren van huilen en lachen // zag hij u staan // en bedacht zich.
Meer nog dan een belofte aan Noach en zijn nazaten, is dat “Nooit weer…” een belofte van God aan zichzelf. De boog in de wolken is het teken dat hem aan die belofte doet herinneren. Soms denkt een mens: “Gooi open die sluisdeuren, als je God bent. Schrijf weer eens geschiedenis. Bewijs dat je bestaat.” Maar hij laat bij de regenboog die in al haar schoonheid en voorlopigheid slechts verwondering kan wakker maken. De God zonder strijdboog is hooguit in staat om ons een halt toe te roepen met zijn onvoorwaardelijke liefde. Soms houdt een modern mens even de pas in en laat hij zich storen in verwondering.
IV
We hebben uitgevonden dat de regenboog niets anders is dan zonlicht dat in waterdruppels breekt tegen een donkere lucht. En op de vraag waarom de dingen zijn zoals ze zijn, hebben wij deugdelijker antwoorden gevonden dan de mythen en verhalen, dat van vanmorgen incluis. Ook hier is ons niet een verhaal aangereikt dat alles kloppend maakt en op zijn plaats doet vallen.
Maar er was een woord, een levend woord, dat tot ons kwam: “Nooit weer…!”. Het raakt ons in een andere laag van ons menszijn dan in ons verstand. Het kwam niet uit de mond van een God die alles weet en alles kan. Zijn machtig wapentuig heeft hij sinds lang al afgelegd. De verhoudingen tussen God en de kinderen van Noach zijn veranderd. Wij weten alles. Wij kunnen alles (Nou ja, bijna alles.) “Nooit weer…!” is een appel op ons om de aarde te behoeden en ons hart niet toe te sluiten voor de zee van tranen.
“Nooit weer…!”; het komt uit de mond van een God die niet meer past in de oude mythen en verhalen. Hij heeft iets teers gekregen dat desondanks met kracht bij ons binnen komt. Het komt binnen, daar waar ons verlangen huist naar heelheid, naar goedheid die het kwaad er onder krijgt. Het zet ons even stil. Het maakt ons even stil.
Wie weet wat er nog worden zal van deze wereld.
In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen.
|