Home Overwegingen Zondag 7 augustus 2011 - ds. Kaj Munk (1898 - 1944)
Zondag 7 augustus 2011 - ds. Kaj Munk (1898 - 1944) PDF Afdrukken E-mailadres
Geschreven door Ds Evert Jan Veldman   
zondag 07 augustus 2011 11:23

Een preek van de Deense predikant Kaj Munk (1898 – 1944). Munk werd in 1924 predikant in Vedersø, waar hij tot zijn dood is gebleven. Behalve predikant was hij dichter en toneelschrijver. Hij is bekend geworden vanwege zijn verzet tegen het nationaalsocialisme van de bezetter en moest dit met de dood bekopen. De preek van vanmorgen gaat over het verloren muntstuk (Lucas 15: 8 – 10) en werd gehouden in juni 1940 of 1941.

Hij zal misschien niet ouder dan drie jaar zijn geweest, toen hij dat beleefde. Misschien brandde dat in zijn ziel omdat hij niet gewend was haar zenuwachtig te zien. Zijn lieve, goede, moeder, het vaste punt in zijn bestaan, en bij wier kleed hij veilig was voor alle stromen ter wereld! Maar nu trilden haar handen en de paar meubeltjes in die kamer te Nazaret werden van hun plaats gehaald. Zij blies het vuur aan in de haard en stak een lampje aan, in alle hoeken ging zij zoeken, en: “Heb jij hem niet genomen, Jezus?” en: “Ik kan ’t maar niet begrijpen, ik kan ’t niet…” en: “Heb jij dan niet gezien, waar ik ‘m net neerlegde?” Maar Jezus had niets gezien en was ook nog veel te klein om er iets van te begrijpen. En toen was er iets, dat plotseling blonk in het licht en hij hoorde een zucht van verlichting van zijn moeder: daar is hij, daar is hij!

Buiten klonken stemmen, dat waren een paar buurvrouwen die bij de bron water waren gaan halen, en Maria moest even de deur uit, naar hen toe, om hen de laatste wereldhistorische sensatie te vertellen dat er een drachme weg was geraakt van haar huishoudgeld, en wat een angst ze had uitgestaan! En hoe bang ze was geweest dat Jozef thuis zou komen voor ze hem had gevonden, maar kijk! Hier had ze hem, en nu moest die spleet in de vloer ook eindelijk eens dichtgemaakt worden, dat ontbrak er nog maar aan, waar had je anders een man voor die timmerman was? En nu moesten de vrouwen toch even binnenkomen en naar die spleet in de vloer kijken, en de drachme moesten ze ook nog eens bekijken, en zo liep het er op uit dat ze koffie voor ze ging zetten – och ja, zo mogen we dat best noemen wat ze daar toen dronken, zoals ook wij dat doen.

Maar toen de jongen groot werd, begreep hij nog beter waarom die kleine gebeurtenis vastgeschroeid zat in zijn geheugen. Dat was niet alleen omdat moeders vingers toen zo beefden: dat was vooral omdat de gebeurtenis, zonder dat hij dat toen al besefte, hem iets vertelde van iemand die heel wat groter was dan zijn moeder, omdat ze hem iets vertelde van de rijke en geweldige God, dat ook diens handen konden beven als er iets verloren ging dat in het oog van de wereld alleen maar een belachelijk verlies was, als er een mens verloren ging – lieve hemel nog aan toe, zijn er dan geen mensen genoeg? Het wriemelt en warrelt van de mensen, het is werkelijk een probleem wat we met al die mensen áán moeten! Lansen en vechtwagens en oorlogsschepen, daar moet je zuinig op zijn, want die kosten geld en moeite om ze aan te schaffen, maar een mens – die kun je gratis gemaakt krijgen, een mens – dat is nu net het enige wat niets kost.

“En het geschiedde in die dagen, dat er een bevel uitging vanwege keizer Augustus, dat het gehele rijk moest worden ingeschreven.” Zo begint het evangelie. En in die wereld, die de mensen misbruikt voor de statistiek, was het dat de Mensenzoon werd geboren.

Gelukzalig is het, in te gaan in de christelijke gemeente en daar te ervaren dat, terwijl de keizer rekent met mensenmateriaal, hij die de Keizer van alle keizers is, de mens beschouwt als een doel in zichzelf.

Natuurlijk is dat woord van Jezus dwaasheid, waanzin. Wat is een mens? Het resultaat van een sublieme liefde en van haar diepste ogenblik van geluk en schoonheid. Ja, of het resultaat van de perverse drift van een gewelddadige verkrachting. Kijk naar de sloot, hoe het daar wriemelt en warrelt van kikkerslijm en de zon brandt er op en het water verdampt en daar liggen de zwarte koeken van ingedroogd leven. Is de mens méér dan een kikkervisje of een donderpad? Wie gelooft er nu heus dat de mens méér waard is dan een erbarmelijk onderdeeltje van het raderwerk, een heel klein stofje op de machine?

Maar Jezus houdt zich niet aan datgene wat de ogen zien of wat de ervaring leert of wat de wijsheid van de wereld onthult. Hij heeft de krankzinnige moed om zich alleen maar te houden aan datgene wat God hem zegt. Als God hem opzoekt in de eenzaamheid en de nachtelijke stilte van de bergen, dan beluistert hij de stem van de Eeuwige: “Kun je nog je jeugd herinneren, toen je moeder die drachme zocht? Zó zoekt mijn hart iedere mensenziel!”

Er zullen velen zijn voor wie dat zo’n hopeloze waanzin is dat zij er alleen maar even krankzinnig op menen te moeten reageren. En dan geven zij zich over aan de nog hopelozer waanzin dat de wereld precies zo is als zij eruit ziet.

Maar er zijn anderen, voor wie Jezus’ moed om te geloven aan de onafhankelijke werkelijkheid zo aantrekkelijk is en zo verheffend, die daar zo door worden áángetrokken en ópgeheven dat zij zich alleen maar aan die moed kunnen overgeven. Zij geloven dat zij nooit iets schoners hebben aanschouwd dan dit triest vermogen om de eeuwigheid af te lezen uit de meest onbetekenende gebeurtenissen van het dagelijks leven. Zij luisteren, alsof het een kwestie is van dood of leven, naar alles wat hij hen heeft te vertellen.

En zo is het geen sprookje van Andersen, geen fabel, diepzinnig en rijk en mooi en vol artistieke waarheid en hoe ver die waarheid reikt mag ieder zelf uitmaken: nee – het is de waarheid zelf, de waarheid die uitgaat uit de mond van de Heer Jezus. Het is de waarheid dat hij de Heer is over alle dingen en die Heer heeft hart voor zijn schepping; hij bestuurt de loop der zon, maar hij volgt ook de beweging van elk stofje op de kleinste van zijn werelden, ja, zo’n groot Heer is hij dat voor hem het kleinste stofje zo groot is als heel de wereld. De tomeloze ziel die zich van hem losrukt, die zonder idealen leeft, of, wat nog wranger zonde is, die leeft uit idealen die dwars tegen hem ingaan – zij is hem een bron van zorg en leed en wanneer zo’n ziel de weg naar hem terugvindt, dan verheugt hij zich, en het lofgezang van alle engelen samen kan hem niet méér verblijden.

Duizelig maakt die gedachte dat ik God kan bedroeven, dat ik God kan verheugen!

Ik – God.

Dat is of de waanzinnigste van alle waanzinnigheden, of de waanzin die waarheid heet. Die waanzin, die waarheid, heeft zijn leerlingen te allen tijde vervuld, hen aangedreven tot een leven dat een daad was. Waar zij gingen of stonden, voelden zij het oog van de Vader op hen rusten. Dat hielp hen om niet te bezwijken. Dat hielp hen om, telkens als zij bezweken, de weg terug weer te vinden.

Toen zijn verblinde vijanden Stefanus doodstenigden, zag hij de hemel geopend, en zie: de Mensenzoon, staande aan de rechterhand van God.

Toen Maarten Luther voor de wereldmacht te Worms verscheen, wist hij dat God achter hem stond.

Al rooft de tiran, / ons wat hij maar kan, / ons goed en ons bloed, - / laat hem zijn overmoed! / Gods rijk blijft ons behouden.

Toen generaal Booth, de stichter van het Leger des Heils, de weerspannigen naar het zondaarsbankje dreef, toen opende hij de hemel boven hun hoofden, zodat zij God zelf uit de hoge zich voorover zagen buigen om naar hun belijdenis als zondaar te luisteren.

De goddelijke waarde van ieder enkele mens – dat is Jezus’ geloof.

En zo is het in zijn geest, alles wat er gemaakt is te behoeden en de mens te beschermen en te beschutten. Heel ons moderne apparaat om de enkeling te beschermen en beschutten, is goed christelijk. Wij hebben God verheugd met onze zorg voor de ouden van dagen, de armen, de zieken, de misdadigen, de geestelijk defecten. En wij bedroeven hem, als die voorzorg wordt overdreven of als zij wordt misbruikt en dus in diskrediet komt en tegen zijn wil ingaat. Wie zich door bedrog in het bezit stelt van een invalidenuitkering of onrechtmatig werklozensteun weet te krijgen, beledigt en schendt de geest van die voorzorg net zo erg als hij doet, die verantwoordelijk is voor onduldbare maatschappelijke toestanden en die heel zijn willen en kunnen niet inzet om daarin verandering te brengen.

Zelfs in de kleinste dingen staan wij in een verhouding van verantwoordelijk leven tegenover God. De christenen leven niet onder een gesloten hemel. Tweeduizend jaar lang hebben zij hun ogen opgeslagen en de hemel geopend gezien, zich nabij God gevoeld.

Zo is er méér te zien dan alleen de bommenwerpers, wanneer wij onze ogen opslaan naar de hemel. Wij zien daarboven ook een God, de Almachtige over hemel en aarde, wiens hart hem op de troon der zaligheid niet met rust laat. Op haastige voeten stijgt hij omlaag, wankelt hij rond daar waar verwoesting en verminking rondwaren, daar waar de dood toeslaat. Hij strijkt de jammerende vrouwen over het haar, hij neemt de kapotgekneusde kinderen op en sluit ze in zijn armen.

Dank u, Jezus, dat u ons het geloof schenkt om dat ongelooflijke te geloven.

In de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.

Amen.

 


Copyright © 2009-2012 Nieuwe Kerk Groningen. Alle rechten voorbehouden.

 

 
festivalvandegeest