|
Nadat Dietrich Bonhoeffer (1906 – 1945) als predikant had gewerkt in Barcelona, Berlijn en Londen, werd hij in 1934/35 door de Bekennende Kirche (het georganiseerde kerkelijk verzet tegen het nationaalsocialisme) geroepen om leiding te geven aan het illegale predikantenseminarie in Finkenwalde. Van hieruit werd hij een van de belangrijkste leiders van het kerkelijk verzet in Duitsland. Vanwege zijn betrokkenheid bij een samenzwering tegen Hitler om het Naziregime ten val te brengen, werd hij in 1943 gearresteerd en in 1945 terechtgesteld. De preek ‘de gevangen God’ bij Jeremia 20: 7, gehouden op 21 januari 1934 in Londen, reflecteert het verzet van de 'Bekennende Kirche' tegen de kerkleiding in Duitsland, die kort daarvoor pleitte voor snelle uitvoering van de ariërsparagraaf en voor 'bevrijding van het oude testament met zijn joodse loonmoraal, van die verhalen over veehandelaren en souteneurs.'
Heer, u hebt mij verleid en ik ben bezweken. U was te sterk voor mij en hebt mij in uw greep gekregen.
Jeremia 20: 7
Jeremia stond er niet om te springen profeet van God te worden. Hij schrok terug toen de roep hem plotseling trof; hij verzette zich, hij wilde de wijk nemen – nee, hij wilde Gods profeet en getuige niet zijn. Maar op de vlucht werd hij gepakt, wordt hij gegrepen door het woord, door die roepstem; hij kan er zich niet meer aan onttrekken, het is met hem gedaan, God heeft zijn slachtoffer; of zoals het ergens geschreven staat: de pijl van de almachtige God heeft het opgejaagde wild ingehaald. Jeremia is zijn profeet.
Van buitenaf wordt de mens erdoor overvallen, niet uit het verlangen van zijn hart, niet uit zijn meest verborgen wensen en verwachtingen stijgt het op; het woord dat voor de mens komt staan, dat hem vastpakt, gevangen neemt, boeit, komt niet uit diepten van onze ziel, maar het is het vreemde, onverwachte, gewelddadige, overweldigende woord van de Heer die in zijn dienst roept wie hij wil, wanneer dan ook. Dan helpt geen verzet, maar dan geldt Gods woord: “Ik kende je al voor ik je heb gemaakt in de moederschoot, en je bent de mijne. Wees niet bang! Ik ben de God die je vasthoudt.”En dan is dit vreemde, verre, onbekende, gewelddadige woord opeens het al zo huiveringwekkende bekende, huiveringwekkend nabije, ons overredende, bedwelmende, verleidende woord geworden van de Heer die van ons houdt, die verlangt naar zijn schepsel.
De mens heeft een lasso over zijn hoofd geworpen gekregen en nu komt hij niet meer los; als hij zich wil verzetten, dan voelt hij pas goed hoe onmogelijk dat is; want de lasso wordt steeds strakker en pijnlijker aangetrokken en herinnert hem eraan dat hij een gevangene is. Hij is een gevangene, hij moet gehoorzamen. Zijn weg is voor hem uitgestippeld. Het is de weg van de mens die niet meer door god wordt losgelaten, die God niet meer kwijtraakt; maar daarom ook de weg van de mens die nooit meer – in iedere zin van het woord – ‘goddeloos’ wordt.
En op die weg moet de mens door de diepten van zijn zwakheid gaan. Een bespotte, geminachte, voor krankzinnig verklaarde, maar voor de rust en vrede van de mensen toch ook gevaarlijke gek – een gek die wordt geslagen, opgesloten, gemarteld, en die men het liefst maar een kopje kleiner zou maken – dat is deze Jeremia, juist omdat hij niet meer van God loskomen kan. Voor fantast, querulant, onruststoker, volksvijand werd hij uitgemaakt, zoals in alle tijden tot op de dag van vandaag al diegenen die van God waren bezeten en door God waren gegrepen, voor wie God te sterk was geworden.
Hoe graag had Jeremia niet anders willen spreken, hoe graag had hij niet met de anderen “Heil!” en “Vrede!” geroepen in een land waar louter onheil en onvrede heersten; hoe graag had hij niet gezwegen, de anderen gelijk gegeven – maar hij kon het eenvoudig niet, het lag als een dwang, als een druk op hem; het was of er iemand in zijn nek zat die hem voortjoeg van de ene waarheid naar de andere, van het ene ongeluk naar het andere. Hij was geen meester meer over zichzelf, hij had zichzelf niet meer in zijn macht; iemand anders had macht over hem gekregen, iemand anders bezat hem, door iemand anders werd hij bezeten.
En Jeremia was van ons vlees en bloed, hij was een mens zoals wij. Hij lijdt onder de voortdurende vernederingen, de spot, het geweld, de brutaliteit van de anderen, en zo stort hij dan na een wrede foltering die een hele nacht heeft geduurd zijn ziel uit in dit gebed: “Heer, u hebt mij verleid en ik ben bezweken. U was te sterk voor mij en hebt mij in uw greep gekregen.”
God, u wilde het met mij wagen. U hebt me achternagezeten en u hebt me niet willen loslaten, u kwam steeds hier of daar plotseling voor me staan, u hebt me gelokt en verleid, u hebt mijn hart gedwee en gewillig gemaakt, u hebt tegen me gesproken van uw verlangen en eeuwige liefde, van uw trouw en macht; en toen ik kracht zocht, vergaf u mij mijn schuld. Ik wilde niet, maar u brak mijn wil en mijn verzet en u overwon mijn hart; God, uw verleiding was onweerstaanbaar en ik gaf ma aan u over. Heer, u hebt me verleid en ik, ik ben bezweken. Als een argeloos lam hebt u mij vastgegrepen – en nu kom ik niet meer van u los, nu sleept u me mee als uw buit, bindt u me aan uw zegekar en sleurt u ons geschramd en geschonden in triomftocht achter u aan – konden we weten dat uw liefde zo pijn doet, dat uw genade zo hard is? U was te sterk voor mij en hebt mij in uw greep gekregen.
Toen de gedachte aan u te sterk in mij werd, toen werd ik zwak. Toen u macht over mij kreeg, toen was ik verloren; toen was mijn wil gebroken, toen was mijn kracht te gering, toen moest ik de weg van het lijden gaan; toen kon ik me niet meer tegen u verzetten, toen kon ik niet meer terug, toen was de beslissing over mijn leven gevallen. Niet ik heb beslist, u hebt beslist. U hebt me aan u gebonden, wat er verder ook komen mag. God, waarom bent u ons zo vreselijk nabij?
Duizenden gemeenteleden en predikanten lopen vandaag in de kerk van ons land gevaar onderdrukt en vervolgd te worden vanwege hun getuigenis van de waarheid. Zij hebben die weg niet uit recalcitrantie of willekeur gekozen, maar ze werden die weg op geleid, ze moesten hem gaan. Vaak tegen hun wil, tegen hun eigen vlees en bloed, omdat God te sterk in hen was geworden, omdat zij God niet meer konden weerstaan, omdat er achter hen een deur in het slot was gevallen, omdat ze niet meer onder Gods woord, Gods oproep, Gods bevel uit kwamen. Hoe vaak wensten ze niet dat er vrede, rust en stilte in hen zou komen, hoe vaak wensten ze niet dat ze niets steeds weer hoefden te dreigen, te waarschuwen, te protesteren, te getuigen van de waarheid. Maar er ligt een dwang op hen: Wee ons als wij het evangelie niet prediken! “God, waarom bent u ons zo nabij?”
Van God niet meer los te kunnen komen: dat is de beklemmende onrust in ieders christelijk leven. Wie zich eenmaal met hem heeft ingelaten, wie zich eenmaal door hem heeft laten verleiden, die komt niet meer los. Zoals een kind niet loskomt van zijn moeder, zoals een man niet meer loskomt van de vrouw van wie hij houdt. Tot wie hij eenmaal heeft gesproken, die kan hem nooit meer helemaal vergeten, die begeleidt hij als een eeuwige metgezel, in goede en slechte tijden; die volgt hij, zoals een mens wordt gevolgd door zijn schaduw.
En die voortdurende nabijheid van God wordt de mens te veel, te groot, gaat hem boven zijn kracht, zodat hij soms denkt: “O, was ik maar nooit iets met God begonnen. Hij valt me te zwaar, hij verstoort mijn zielenrust en mijn geluk.” Maar dat helpt hem allemaal niets meer. Hij kan niet meer los; en nu moet hij erdoorheen – met God, wat er verder ook komen mag. En als hij denkt: “Nu kan ik het niet meer verdragen, nu maak ik een eind aan mijn leven.” – dan weet hij toch ook weer dat hij ook zo niet loskomt van God, met wie hij zich heeft ingelaten, door wie hij zich heeft laten overwinnen; hij blijft zijn slachtoffer, hij blijft in zijn handen.
Maar juist wanneer iemand denkt dat hij de weg met God niet verder kan gaan omdat die weg te zwaar is – en zulke momenten maakt ieder nee in zijn leven – momenten waarop God te sterk voor ons is geworden – momenten waarop een christen onder de last van God bezwijkt en alle moed verliest – juist dan wordt Gods nabijheid, Gods trouw, Gods kracht voor ons een hulp en troost, pas dan begrijpen we helemaal wat God en ons christelijk leven voor ons betekenen. Niet meer los te kunnen komen van God: dat betekent veel angst, veel moedeloosheid, veel treurnis, maar dat betekent ook, in iedere zin van het woord, nooit meer ‘goddeloos’ te kunnen zijn. Het betekent dat God met ons is op al onze wegen, in ons geloof en in onze zonden, in tijden van vervolging en bespotting en in het uur van onze dood.
Wat is er aan ons, aan ons leven, aan ons geluk, aan onze rust en vrede, aan onze zwakheid, aan onze zonde gelegen? Zolang het woord, de wil en de kracht van God maar worden verheerlijkt door ons zwakke, sterfelijke, zondige leven, zolang onze zwakheid maar een vat van Gods almacht is.
Gevangenen dragen geen opzichtige kleren maar ketenen. Maar die ketenen verheerlijken hem die als overwinnaar door de wereld en onder de mensen gaat. Onze ketenen en flarden van onze kleren en de littekens die wij moeten dragen, zijn de lofprijzing van hem die zijn waarheid, zijn liefde en zijn genade in en door ons verheerlijkt heeft. Op zijn tocht door de wereld sleept de zegekar van de waarheid en de gerechtigheid, sleept de zegekar van God en zijn evangelie de geboeiden en gevangenen in triomf achter zich aan.
Dat hij ons toch eindelijk aan zijn zegekar moge binden, dat wij toch eindelijk, al is het gebonden en geschonden, deel mogen hebben aan zijn overwinning! Hij heeft ons verleid, hij is te sterk voor ons geworden, hij laat ons niet meer los. Wat deren ons de boeien en de last, wat deert ons zonde en leed en dood? Hij houdt ons vast. Hij laat ons niet meer los. Heer, verleid ons steeds opnieuw en overmeester ons, opdat wij slechts zullen geloven, leven en sterven in u, opdat wij uw overwinning zullen aanschouwen.
In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen
|