|
Jesaja 5: 1 – 7
Matteüs 21: 33 – 43
I Het is geen boodschap waar we vandaag op zitten te wachten: “Daarom zeg ik u: het koninkrijk van God zal u worden ontnomen, en gegeven worden aan een volk dat het wel vrucht laat dragen.”(vers 43) Er worden ons vandaag al zo veel zekerheden ontnomen. We snakken naar wat rust en stabiliteit in politiek en economisch opzicht. En we zoeken naar troost in ons aangevochten bestaan. Want al dat gewankel, al die heftige reacties op de beursvloer wereldwijd, het raakt ons in het hart van ons bestaan. Zowel de ziel als de portemonnee worden bedreigd.
In zulke tijden wil je horen: het komt wel goed. Gods geborgenheid wil je ervaren. Maar wat je hoort is dat het koninkrijk van God je wordt ontnomen. Ja, of je moet er zeker van zijn dat ons de wijngaard wordt gegund, dat wij dat volk zijn dat de wijngaard wel vrucht laat dragen. Maar zo zeker zijn we daar niet meer van. De tijd dat de kerk triomfantelijk dacht de eigendomspapieren van Gods wijngaard in handen te hebben, in plaats van Israël, ligt achter ons. Die visie heeft, om met Jesaja te spreken, alleen maar stinkbessen opgeleverd – rot en wrang tegelijk.
Jezus richt zijn woorden tot de godsdienstige elite van Jeruzalem, tot de leiders van het volk. Nee, dat zijn wij niet. Maar wij leven wel in dat deel van de wereld dat eeuwenlang toonaangevend is geweest en daarvan de vruchten heeft geplukt. En dan is het niet gek om nu te delen in de schrik die de elite van Israël om het hart slaat na het woord van Jezus: “Het koninkrijk van God zal u worden ontnomen.” Geconcentreerd hebben ze geluisterd naar de gelijkenis. Jezus heeft hen met zijn verhaal geraakt. Ze zijn er in opgegaan. Heftig reageren ze op het verhaal: “Wat een onmensen, die wijnboeren! De eigenaar zal korte metten met hen maken!” Om dan als dragers van verantwoordelijkheid de spiegel voorgehouden krijgen. “Hij bedoelt ons.”
II Ze hadden goed kunnen meevoelen met de landheer uit de gelijkenis. Het was niet moeilijk om hem een gezicht te geven. Er woonden veel landheren in Jeruzalem die er rentenierden van de pacht van hun landerijen. Kleine boeren bewerkten het land. Niet zelden weigerden die te betalen omdat er jaren waren dat er onvoldoende overbleef om zelf te kunnen leven. Met geweld moest dan het verzet worden gebroken en betaling worden afgedwongen. Ze kenden die verhalen van de feestjes in Jeruzalem.
Typisch zo’n gelijkenis van Jezus. Ze zijn nooit eenduidig. Altijd loopt er wel zo’n dwarse draad doorheen, die te denken geeft. En dit is er zo een. Want er zullen vast ook mensen zijn geweest die mee hebben geluisterd en gedacht: Ik snap die wijnbouwers wel. Wat ze doen is verschrikkelijk. En toch.. Er zijn zoveel mensen die letterlijk hongeren naar de vervulling van Jesaja’s profetie: “De HEER heeft gezworen bij zijn rechterhand en bij zijn sterke arm: Nooit meer geef ik jullie graan aan je vijanden te eten, nooit meer zullen vreemdelingen de wijn drinken waarvoor jullie je hebben afgemat. Zij die het graan oogsten, zullen er ook van eten en ze zullen de HEER erom prijzen; zij die de druiven plukken, zullen ervan drinken in de voorhoven van mijn heiligdom.” (Jesaja 62: 8-9) Niet de landheren, maar de boeren zelf!
III Die dwars geweven draad door het verhaal is nodig om de gelijkenis te kunnen verstaan. Kijk, als je een verantwoordelijke post bekleedt en in Jeruzalem woont, heb je God als het ware in je achtertuin. De tempel die je ziet vanuit het venster van je huis, is het zichtbaar teken van zijn nabijheid. Daar leg je moeilijke beslissingen aan hem voor. Daar open je de Schriften en debatteer je met je vakgenoten. En langzamerhand is God het steeds vaker met jou en je mensen eens. Want zo gaat dat. Jeruzalem, dat jij bemint, zal de hoofdstad zijn van het koninkrijk Gods. En jij woont daar al.
Dan komt van buiten Jezus met zijn verhaal, waarin in de landheer eenvoudig God te herkennen valt. God, de liefde van hun leven, het adres ook van Jesaja’s liefdeslied: “Voor mijn geliefde wil ik zingen het lied van mijn lief en zijn wijngaard, gelegen op vruchtbare grond.” (Jesaja 5:1) Ze kunnen hun hartstocht kwijt in dit verhaal – hun trouw aan de landheer en hun woede over de pachters. Tot ze struikelen over die dwars geweven draad door het verhaal. Hun levenlange trouw aan de landheer wordt door Jezus ontmaskerd als gewelddadig verraad aan God. En hun heilige woede over de pachters ontploft in hun gezicht. Ze zijn het zelf.
Want de landheer uit de gelijkenis van Jezus is geen kloon van de landheren van Jeruzalem. Je komt hem niet tegen op de recepties waar jij je netwerk onderhoudt. Hij is op reis gegaan, zegt Jezus, en we weten niet waarheen. Misschien verblijft hij wel bij de vergeten mensen op de vergeten plaatsen van deze wereld; bij hen die het graan oogsten, maar er niet van mogen eten en bij hen die de druiven plukken, maar er niet van mogen drinken. Wie zal het zeggen waar hij verblijft?
Maar het is de kracht van de joodse traditie dat de tegenspraak telkens weer de heersende meningen weet te ontregelen en schrik aanjaagt. Zo bont als de kerk die zich ooit triomfantelijk tot eigenaar verklaarde van Gods wijngaard, heeft de synagoge het nooit gemaakt. Daar dook altijd uit de schat van Mozes en de Profeten het weerwoord op. Daar was altijd wel iemand te vinden die de dwarse draad spande.
IV
Wat brengt ons dit? Waar mogen wij het zoeken als het koninkrijk van God ons wordt ontnomen en het gegeven wordt aan een volk dat het wel vrucht laat dragen? Waar kunnen we nog uitrusten nu wereldwijd de machtsverhoudingen aan het schuiven zijn en we maar af moeten wachten wat er van onze rijkdom overblijft?
Bij de zoon misschien uit de gelijkenis van Jezus? De zoon, die door de pachters uit de wijngaard werd gegooid en werd gedood. Was hij niet de erfgenaam die de wijngaard werd ontnomen? Er doet een hardnekkig verhaal de ronde dat God hem uit de dood heeft opgediept en dat rondom hem zich een gemeenschap vormt, die brood breekt met elkaar en de beker wijn doet rondgaan. Niet langer gegijzeld door tekort of door bezit, zien ze elkaar van aangezicht tot aangezicht. Geen receptie van een elite, die geleerd heeft van boven naar beneden te kijken. Maar een maaltijd, waarbij eerst naar de arme wordt gekeken of haar al is opgediend. Een gemeenschap die niet is ontstaan uit landjepik of verworven macht, maar die een gave is van God. Uit levende stenen is ze gebouwd. Overal en nergens is ze te vinden, wereldwijd.
Wanneer we moe zijn en het niet meer weten, omdat we zoveel al zijn kwijtgeraakt, schuif dan aan aan deze tafel. Weet dat je genodigd bent. En hem die je meende te kennen uit alle dogma’s en kerkelijk jargon, zul je als Levende ontmoeten in de mens naast je die een stuk brood afbreekt voor jou en tegen je zegt: “Kom, ik schenk je nog eens in, want je bent er wel aan toe.”
In de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen.
|