|
Ezechiël 34: 11 – 17
Matteüs 25: 31 – 46
I
De samenwerking met de Voedselbank is in onze gemeente goed ontvangen. Brachten we op Oogstzondag voorheen fruitbakjes rond bij de ouderen van de eigen gemeente, nu zamelen we eerste levensbehoeften in voor een groeiend aantal Stadjers, dat onder het bestaansminimum is terecht gekomen. Ik herinner me nog hoe vorig jaar een van de ouderen, die gewend was een fruitbakje te ontvangen, mij € 10 van haar AOW in de handen drukte – blij met dit initiatief. “Ik weet nog hoe het voelde als vóór het eind van de maand het geld op was.”
Met die blikverbreding van kerk naar stad, bewijst onze gemeente niet alleen de Voedselbank een kleine dienst, maar vooral zichzelf een grote. Want die blikverbreding heeft zijn wortels in het evangelie. Eigenlijk is het een perspectiefwisseling. We zijn in de kerk gewend om te denken in termen van ‘binnen’ en ‘buiten’, van gelovigen en ongelovigen. Maar het evangelie van deze zondag legt de scheidslijn ergens anders. Op de dag van de grote scheiding zegt de Mensenzoon : “Alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan.” En: “Alles wat jullie voor een van deze onaanzienlijken niet gedaan hebben, hebben jullie ook voor mij niet gedaan.”
Dat geeft te denken. Hij vraagt niet: Was je wel kerkelijk? Hij vraagt niet eens: Was je wel gelovig? Heb je wel voor Jezus gekozen? De scheidslijn loopt niet tussen kerk en wereld, maar er dwars doorheen. Heb je wie honger had te eten gegeven? Heb je de dorstige een beker koud water aangereikt? Heb je de vreemdeling een thuis geboden, de zieke en de gevangene bezocht? Of niet..? Dat zijn de vragen.
II Soms denk ik wel eens dat betrokkenheid bij de kerkelijke gemeente een manier is om jezelf te pesten. De vrijwilliger bij de voedselbank doet gewoon z’n werk. Hij helpt bij het vullen van de tas en van de schappen; zij verzorgt het binnenhalen van producten en de contacten met leveranciers. Geen grote woorden die je te denken geven – van oordeel en van eeuwige verdoemenis. Geen God en geen Jezus die overal tussen gaan zitten en elk contact onnatuurlijk maken. Geen schuldgevoel dat je harder doet lopen dan gezond voor je is. Die vrijwilliger van de Voedselbank doet gewoon wat zij moet doen. Tegen haar zal de Mensenzoon op die cruciale dag zeggen: “Je bent een gezegend mens en bij mij voor eeuwig welkom.” En zij zal verbaasd vragen: “Hoezo?”
Wat zal hij tegen mij zeggen? Was het goed genoeg wat ik heb gedaan? Zal hij mij die keren vergeven dat ik baal van die bedelende Oost-Europeanen bij de ingang van de supermarkt? En dat ik de passie ben kwijt geraakt waarmee ik ooit de bestaande verhoudingen te lijf ging om de wereld te veranderen, wat zal hij daarvan zeggen? Zal hij me zegenen en voor eeuwig welkom heten? Of niet..?
III Straks vieren we het Avondmaal. De Heer deelt zich aan ons uit in het breken van het brood en het rondgaan van de beker. In Matteüs 26, het hoofdstuk dat direct volgt op het indringende verhaal van vanmorgen, viert Jezus het Avondmaal met zijn leerlingen, die hem even later allemaal in de steek zullen laten. Hij zegt daar: “Drinkt allen hieruit, dit is mijn bloed, het bloed van mijn verbond, dat voor velen wordt vergoten tot vergeving van zonden.” (Mat. 26:28) Spel de woorden ‘allen’ en ‘vergeving’ als u zich straks in beweging zet. Als het ware uit het slot getrokken van schuldgevoel en angst voor het oordeel. Hij, die aanwezig is in de woorden van het evangelie, is hier in ons midden. Dat is hij, die naakt, verlaten, hongerend en dorstend de kruisdood stierf. Met zijn liefde brak hij de ban van de dood en de angst en het oordeel. Als hij de rechter is op die cruciale dag, laat hem dan vandaag maar komen! Naakt wil ik voor hem staan, met alles wat niet lukte en grondig fout is gegaan. In hem zal ik leven, eeuwig leven.
Dat is niet morgen of overmorgen of ooit eens. Dat is vandaag al. Minstens op twee manieren is de rechter van de wereld vandaag al in ons midden. In de viering van het Avondmaal waar hij tegen ons zegt: “Jullie zijn door mijn Vader gezegend, kom en neem deel aan het koninkrijk dat al sinds de grondvesting van de wereld voor jullie bestemd is.” Maar evenzeer is hij aanwezig in wie honger heeft of dorst, in wie vluchten moest of gevangen werd gezet, in wie ziek is. Niet een object van liefdadigheid is hij. Niet een middel om God te plezieren is zij. In haar kwetsbaarheid is zij Christus zelf. En in zijn vraag “Waak met mij!” is de Rechter zelf aan het woord. Hij identificeert zich met hen die vandaag hongeren en dorsten, met hen die zoeken naar een thuis in deze wereld.
Er is dus geen scheidslijn tussen kerk en stad, tussen binnen en buiten. Zelfs is er geen breuk tussen vandaag en morgen. Want de dag van het oordeel is de dag van vandaag. Op die dag wordt niet aan jou gevraagd hoe schoon jouw ziel is en of jij de wereld hebt veranderd. Jou wordt gevraagd: Zie je me? En zie je dat ik ben als jij? Weet je nu dat liefde alles overwint? Zie je ook een nieuwe wereld dagen?
In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen
|