|
Richteren 9: 6 – 15
Johannes 1: 19 – 28
I
Jotam vergelijkt de burgers van Sichem en Bet-Millo met wandelende bomen. Zojuist hebben ze Abimelech tot koning uitgeroepen. In hem hopen ze rust te vinden, orde en veiligheid. Wandelende bomen. Dat zijn bomen die zijn los geraakt van hun wortels. Ze hebben iets wanhopigs. Ze dwalen rond en zijn op zoek naar iemand die hen in leven houdt. Want wat blijft er anders over van ontwortelde bomen dan brandhout? Ze zoeken iemand die hen kan laven. Een machtige koningsboom misschien?
Op de top van de berg Gerizim verheft Jotam zijn stem. Zijn fabel klinkt door heel het land. Hij wordt gehoord tot op de pleinen van Sichem en Bet-Millo. Zijn fabel is niet zomaar een verhaaltje. Profeten verheffen hun stem om Gods woord te vertolken. Mensen verheffen hun stem om hun verdriet uit te schreeuwen. Hoe dicht liggen die twee niet bij elkaar, profetisch protest en de schreeuw van verdriet?
Jotam kiest een symbolische plek uit om zijn boodschap te doen horen. Want de Gerizim is een van de twee bergen die het toneel was van een liturgisch theater toen het volk dat veertig jaar gezworven had door woestijnen eindelijk thuis kwam in het land waar het zo van had gedroomd. Vanaf de top van de Gerizim werd er toen zegen uitgeroepen over het land: “Als je leeft naar Gods geboden, zal zijn zegen op je rusten. Loop niet achter goden aan. Blijf bij je Bevrijder. Gezegend zul je zijn in de stad en gezegend op het land.” (naar Deut. 28) Vanaf de top van de Ebal klonk toentertijd de tegenstem: “Als je niet leeft naar Gods geboden; als je achter goden aangaat en je je afkeert van je Bevrijder: Vervloekt zul je zijn in de stad en vervloekt op het land.” De stammen van Israël riepen het elkaar toe vanaf de top van beide bergen. Inderdaad: een liturgisch theater om de grondwet van het beloofde land in elkaars harten te schrijven. Opdat ze de droom van vrede en gerechtigheid in praktijk zouden brengen.
Jotam kiest de Gerizim uit en niet de Ebal. Zijn fabel moet een zegen zijn, geen vloek. Met een gebroken ziel verlangt hij naar vrede en gerechtigheid. Logischer was het geweest om de Ebal uit te kiezen en niet de Gerizim. Want wat hij meemaakt is om te vloeken. Het uitroepen van het koningschap van Abimelech is vooraf gegaan door een slachting onder de zeventig zonen van de geloofsheld Gideon. Abimelech heeft hen eigenhandig gedood. Jotam is de enige die aan de slachting is ontkomen. Toch verheft hij zijn stem op de Gerizim. Hij wil dat zijn verdriet en zijn protest tot zegen zullen zijn voor de stad en voor het land.
II Omdat Jotam de Gerizim als zijn theater heeft gekozen, durven wij het misschien aan om ons te identificeren met de wandelende bomen. Zijn wij immers ook niet los geraakt van onze wortels? Mijn vaders naam was nog verbonden met de naam van de boerderij waar hij is opgegroeid. Zijn broers en zussen woonden zijn leven lang krap vijf kilometer bij hem vandaan. Maar zijn kinderen zwierven uit, hun idealen en ook hun portemonnee achterna, bouwend aan een loopbaan op steeds verschillende plekken. Grenzen gingen open. Nederland werd Europa en de wereld werd een dorp. Welvaart groeide. En een thuis is sindsdien een voorlopig thuis, een kostbare pleisterplaats onderweg naar God mag weten waar.
Dat losraken van je wortels heeft twee kanten: Niemand houdt jou meer op je plek als jij dat niet wilt. We zijn vrijer geworden in denken, doen en laten; rijker ook in meerdere opzichten. Maar er is een andere kant. Angstige stemmen roepen ons terug achter de dijken. Ze spreken over ‘zij daar’ om een nieuw wij-gevoel te creëren. Een begrijpelijk heimwee maakt zich van hen meester, nu het nieuwe huis van de wereld op drijfzand lijkt te zijn gebouwd. Maar bomen die eenmaal losgetrokken zijn van hun wortels, kunnen niet meer terug in oude grond. Een kind dat een geplukte bloem geprobeerd heeft terug te poten, weet dat, tot zijn teleurstelling. Dwalende bomen zijn we geworden, op zoek naar een koning die ons kan redden. En ondertussen weten we op hoeveel onrecht en hebzucht en uitputting het nieuwe huis van de wereld is gebouwd. We kunnen niet terug. We kennen onze schuld, die ons zelfs letterlijk aanstaart in de huidige financiële crisis.
Abimelech doodde eigenhandig de zeventig zonen van Gideon. Op Jotam na dan. En als u ik u nu vertel dat het bijbelse getal zeventig staat voor de zeventig volken van de wereld – het hele huis van de wereld, dan krijgt het theater van Jotam een nog hogere actualiteitswaarde met wereldwijde allure. Het koninkrijk van Abimelech, dat staat voor heel het huis van de wereld, is op dood en verderf gebouwd. Het zal geen stand houden. En godzijdank is er die ene profetische stem waarin al het verdriet van de wereld meeklinkt, maar ook al het verlangen naar een nieuw thuis van Godswege: de stem van Jotam die de ‘zegenberg’ (Gerizim) uitkoos om zijn woorden te doen horen. Hij ziet de bomen gaan en dwalen en lacht ze niet uit. Hij huilt om zijn broers maar ook om de bomen.
III
Een voor een haken de kandidaten voor de troon af: de olijfboom, de vijg en de wijnstok. Zij wandelen niet mee. Zij bleven wortelen in de grond van Gods geboden. Zoals psalm 1 het zegt: “Gelukkig de mens, die niet meegaat met wie kwaad doen… Hij zal zijn als een boom geplant aan stromend water. Op tijd draagt hij zijn vrucht, zijn bladeren verdorren niet. Alles wat hij doet komt tot bloei.” Zij willen niet van hun wortels los wat zweven boven de bomen. Ze willen vrucht geven en tot zegen zijn. En door die keuze komen de dwalende bomen uiteindelijk uit bij de doornstruik, die wel wil. Een struik waar zo maar de brand in kan gaan. Een koning waar ze zich aan zullen branden.
Tijdens de voorbereiding van deze preek op Schier, bracht een gemeentelid van hier een heel andere lezing in van deze fabel. In de vertaling van de Naardense Bijbel bedanken de vruchtbomen voor de eer met de woorden: “Moet ik afstand doen van mijn vrucht, die God en mensen in mij eren?” Ze zag in deze bomen de graaiers die wel weten waar ze wortelen moeten. Voor haar was de doornstruik het prototype van de kleine koning, die het kleine beetje schaduw dat hij geeft met alle dwalenden in de wereld delen wil. De doornstruik, even onbeduidend als Jotam en als het kind van Bethlehem. En was de doornstruik ook niet de plek waar de Bevrijder (Ik zal er zijn) voor het eerst van zich deed horen aan Mozes in de woestijn? De doornstruik heeft haast niets te bieden en zegt toch: “Kom maar hier”. Hij wortelt niet in eigen belang, maar kiest er voor om met de dwalende bomen mee te gaan. Een mooie dwarse lezing van de Bijbeltekst!
IV Maar het mooie is dat beide tegenstrijdige lezingen van deze Bijbeltekst, wijzen op het zelfde geloofsgeheim. In de nacht van de geschiedenis waarin alles verloren lijkt en we niet meer terug kunnen naar de vermeende veilige plek van vroeger, komt God ons tegemoet: in Jotam, die geslagen mens, die ons zijn woorden niet in het gezicht vloekt, maar die de wereld zegent met zijn verhaal. En in het Christuskind dat wij hartstochtelijk verwachten en ons niet alleen laat met onze wanhoop en onze schuld. In hem leven wij. Aan hem laven wij ons en leren wij opnieuw Gods solidariteit.
In de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen
|