|
Rechters 13
Johannes 3: 22 – 30
I
“Dan ben je aan de filistijnen overgeleverd!” Mijn moeder gebruikte dat gezegde. Ik wist als kind wat dat betekende. Want ik kende de Filistijnen uit de verhalen die de meester op school zo mooi kon vertellen tijdens Bijbelse Geschiedenis – zo heette dat toen. Ik zag de woeste bendes voor me die het volk Israël plunderden en er dood en verderf zaaiden. En ik identificeerde me met mannen als David en Simson die de Filistijnen de baas waren en ze een koekje van eigen deeg gaven.
Nee, als je aan de filistijnen bent overgeleverd, dan is het niet best met je. Het verhaal van vandaag opent er mee. Veertig jaar al zijn de stammen van Israël aan de Filistijnen overgeleverd – uitgebuit, leeg geroofd, in permanente angst en onzekerheid levend. Een straf van God omdat de zonen van Israël deden wat kwaad was in de ogen God. Een standaardzin in het boek Rechters, omdat de zonen van Israël er standaard een potje van maakten: Ze leefden niet de solidariteit die God geboden had. Ze sloten hun hart toe voor de armen. Ze aanbaden de goden om te kunnen delen in hun macht en in hun rijkdom.
Dat God zijn volk overlevert aan de Filistijnen, daar kunnen wij niet meer mee uit de voeten. Goden die straffen zijn achterlijk. Het dreigen doet ons niks meer. Dat gaat trouwens gelijk op met het gebod waarover deze God zich zo druk maakt: het beoefenen van de solidariteit en de afkeer van de machtswellust en de zelfverrijking. Dat gebod, dat ergens diep verankerd zat in onze samenleving, dreigt evenzeer achterhaald te raken als de God die het bedacht heeft. De economische crisis vraagt om verdere beperking van de overheidsuitgaven. Willen we met z’n allen niet naar de filistijnen gaan, dan moeten we wat. En dan moeten we vooral niet te veel zeuren over solidariteit. Want solidariteit kost geld, dat er niet is of dat hard nodig is om de banken te redden. Want als die gaan, dan gaan we met z’n allen.
Wisten we allemaal nog maar waar het ‘naar de filistijnen gaan’ vandaan komt. Wisten we allemaal nog maar wat mijn moeder wist, dat morrelen aan de solidariteit en het ontkennen van armoede, de bron van alle kwaad is. Zo’n standaardzinnetje uit de bijbel over de zonen van Israël die kwaad doen in de ogen van de heer, die hen vervolgens veertig jaar lang overlevert aan de Filistijnen, daar zit het besef in dat elke deugdelijke samenleving gebouwd dient te zijn op solidariteit. Elke samenleving die dat vergeet gaat onherroepelijk naar de filistijnen. Maar wie leest dat nog terug in zo’n zinnetje? Wie leest er überhaupt nog in de bijbel?
II
De kerk is zo’n plek waar nog uit de bijbel wordt voorgelezen. Om dwarse woorden te doen horen waar bijna niemand nog naar luistert. Niet omdat die woorden niks meer te zeggen zouden hebben, maar omdat ze niet meer passen in deze tijd. Onze oren staan er niet naar. We zijn nog wel op zoek naar God, naar zin, naar spiritualiteit, maar dan moet dat wel een beetje matchen met wie we zijn geworden: moderne mensen in een grenzenloze wereld. En is dat niet precies het probleem van de kerk, dat de God, waarvan de bijbel spreekt, zich maar niet op maat wil laten snijden? Hij spoort niet. Een dwars geval is het.
Je ziet dat terug in het verhaal van vandaag. Er is een man, een zoon uit Israël. Hij heet Manoach. Dat betekent ‘rust’. Een rare naam voor iemand die niet anders weet dan dat alles naar de filistijnen gaat. Zijn leven tot nu toe kenmerkt zich door onrust en crisis. Aan zijn wieg zie je een vader staan, die in een uitzichtloze tijd al zijn verlangen legt in de naam van het pasgeboren kind: “Manoach zal hij heten – ‘Rust’.” Maar er is niets van terecht gekomen. Alles stokt. Manoach heeft geen kind om zijn verlangen in te leggen. Het wordt niet meer wat met de zonen van Israël. En er is geen God die mannetjes maken wil.
En toch gebeurt er wat. Er wordt een mannetje geboren dat Simson wordt genoemd – ‘Zonnestraal’. Maar de manier waarop dat wordt verteld is wonderlijk en grappig tegelijk. Want in heel dat verhaal loopt Manoach achter de feiten aan. Hij krijgt er geen grip op en kan er met de pet niet bij. Met verve probeert hij het gezinshoofd te spelen en zijn plek op te eisen, maar de rest werkt niet echt mee. Zijn vrouw niet en de engel niet. Zij zijn de hoofdpersonen in het verhaal. Niet hij. Het rare is dat de namen van de hoofdpersonen niet worden prijs gegeven. Zij is ‘de vrouw van’ en de engel zegt alleen tegen Manoach dat zijn naam wonderbaarlijk is. De aankondiging van de geboorte van Simson is een groot geheim. Manoach loopt zelfs bij de naamgeving achter de feiten aan. Want het is zijn vrouw die het kind zijn naam geeft: ‘Zonnestraal’! Dit dwarse verhaal lijkt in vele opzichten op het verhaal van de aankondiging van de geboorte van Jezus. Ook daar zijn het de engel en de vrouw die de geschiedenis gaande houden. En ook daar figureert de man, die Jozef heet.
De God van de bijbel spoort niet met wat mannen willen. Wees daarom waakzaam als mannen de mond vol hebben over God of als ze met een air van onaantastbaarheid voorschrijven wat goed is en wat de weg is uit de crisis. Want met zulke mannen ben je, met de woorden van mijn moeder, aan de filistijnen overgeleverd. God gaat zijn ongekende gang aan de achterkant van de geschiedenis, waar de camera’s niet komen omdat wat daar gebeurt geen naam mag hebben – de plekjes waar bijvoorbeeld nog restjes solidariteit worden geoefend: de vrijwilliger van de speeltuin, die met rust en aandacht kinderen een plek geeft waar ze weten dat ze er toe doen; de buurvrouw met het grote hart en met het scherpe oog voor wat de ander in haar buurt ontbreekt. Engelen van mensen, die boodschap hebben aan Gods gebod, ook als ze er nooit van hebben gehoord in kerk of zondagschool.
U moet het verhaal thuis nog maar eens nalezen, want het is ernstig en grappig tegelijk. Als zijn vrouw vertelt over de verschijning van de engel, bidt Manoach dat hij ook aan hem verschijnt. Dat doet de engel, maar opnieuw verschijnt hij aan zijn vrouw, die haar man er bij moet halen. Zo gaat dat: God verschijnt ook aan mannen, maar vrouwen moeten hen dan wel bij de hand nemen om hen op de juiste plek te brengen. Als Manoach vervolgens probeert de engel in te palmen met de goed bedoelde gastvrijheid van het gezinshoofd, krijgt hij nul op zijn request. God laat zich niet inpalmen.
III Het kind dat wordt geboren zal niet zonder meer de zoon zijn van zijn vader, zegt het verhaal. Met bloemetjes en bijtjes heeft dat niks te maken. Een vrijgestelde van God zal hij zijn. En het zal aan hem zijn af te zien. Hij zal anders zijn. Zijn ongelooflijke kracht, die Simson tot het idool van elk jongetje maakt, zal uiteindelijk liggen in zijn totale kwetsbaarheid.
God stuurt niet van boven, maar hij troost van beneden en beweegt met mensen mee die naar de filistijnen zijn gegaan en die hunkeren naar een nieuwe tijd en een nieuwe solidariteit en die sterven zonder het gezien te hebben. Zo dwars is deze God. Zo dwars is het verhaal dat hier verkondigd wordt.
In de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen
|