|
Jesaja 52: 7 – 10
Hebreeën 1: 1 – 6
Johannes 1: 1 – 14
“Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond”
(Johannes 1: 14)
I Ergens voel je wel aan dat die woorden meer zijn dan voer voor filosofen. Maar je weet niet precies wat dat is. Je hoort erin de juichkreet die je raakt, zonder de woorden precies te verstaan. Maar waarom zou er geen vreugde kunnen zijn, die je niet kunt plaatsen; die je overkomt en in bezit neemt; die alles anders maakt zodat je al je maniertjes, al je overlevingsstrategieën los kunt laten? Je legt de wapens af waarmee je het leven te lijf ging en je je staande probeerde te houden. In plaats daarvan komt de vreugde van jouw redding, waar je niet om hebt hoeven roepen. Hij kwam. Hij zag. Hij overwon. “Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond”
Vanmorgen geen herders, geen engelen, geen os en geen ezel, geen stal en geen kribbe. Dat was de charme van afgelopen nacht – een nacht waarvan er maar één is in het jaar; een nacht die we voor geen goud willen missen omdat het ons lukt om die nacht te versieren met licht en met warmte. Even kind worden met de kinderen en spelen dat het leven goed is. En daar is niks mis mee. Het zegt iets over ons verlangen; een verlangen dat ons optilt uit de sleur en uit de zorgen. Even geen crisis, even niet dat verleden dat je met je meesleept en dat elke dag zwaarder lijkt te worden, even niet dat moeizame in je relaties. Maar je moet er wel je best voor doen. Met man en macht het alledaagse optuigen tot het ergens op lijkt. Gezelligheid creëren. Graven in je ziel tot je het godsvertrouwen terug vindt waar je als kind blind op voer. Tot je aan de kribbe staat, waar Lucas over verhaalt.
II De kerstmorgen is anders. Ze kent een vreugde die alle verstand te boven gaat. Je hoeft er je best niet voor te doen. Je hoeft voor haar de kelderdeur van je ziel niet dicht te doen waar zo veel schots en scheef ligt opgetast. Nee, het evangelie van de kerstmorgen wil daar spreken en troosten en bij je zijn, waar jij met de beste wil van de wereld geen kersttafereel meer van weet te maken. “Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond.”
Eerst maar iets over die mens. Dat ben jij. Alleen dan niet aangekleed en opgepoetst voor het kerstdiner. Niet de mens die er wel mag zijn en die de kunst verstaat zichzelf te presenteren. In de NBG vertaling van 1951 stond. “Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond.” Johannes gebruikte dat woord ‘vlees’ om de mens aan te duiden in zijn nietigheid: niet mooi, niet sterk, niet hoogstaand, niet gewild – die nietigheid; “de mens voor wie het mens zijn een probleem geworden is,” zei de theoloog Noordmans. Vandaag horen we dat dat niet meer jouw probleem is, maar dat van God. Nee, zo moet je het zelfs niet eens meer noemen. Jouw probleem is de plek waar God wil wonen. Tegen God hoef je niet te zeggen: “Let niet op de rommel!” God zegt: “Ik kom voor jou.”
In de Open Hof, opvanghuis voor dak- en thuislozen, kwam een vaste bezoeker, die gegrepen was door de geloofsbeleving van een evangelische gemeente. Hij zei tegen de vrijwilliger: “Ik moet veranderen!” Waarop die zei, zonder te weten waar hij het vandaan haalde: “Jij bent toch goed zoals je bent. Jij mag toch Jannes blijven.” Jannes omhelsde hem en zei: “Wat ben ik blij dat jij dat zegt!” Op zo’n moment is het kerst: “Het Woord is vlees geworden.”
Op de voorkant van de orde van dienst staat een vage afdruk van een schilderij van Jopie Huisman: een lappenpop op vodden op een houten vloer. In de verte doet het denken aan het kind in de kribbe. Jopie Huisman, handelaar in vodden en oud ijzer, schilderde oude schoenen, vodden en poppen. Hij vereenzelvigde zich met wat afgedankt was. Hij herkende zichzelf erin: de scheiding die hij niet kon verwerken, het gevoel van verlatenheid, van waardeloos zijn. Het waren voor hem zelfportretten. Eenmaal op doek gebeurde er iets mee. Dan brak een schoonheid door in wat afgedankt en geschonden was. Zijn werk is een gelijkenis van wat ons vandaag verkondigd wordt: “Het Woord is vlees geworden.” Gods liefde is gaan zitten in wat werd afgedankt. En dat gaat nooit meer over.
III Dat vlees, die mens, dat onbeholpene, daar kunnen we ons misschien wel wat bij voorstellen. Maar wat bedoelt Johannes met dat Woord? Waarom zegt hij niet gewoon dat God mens geworden is? Waarom zo filosofisch? Omdat God voor Johannes niet ‘gewoon’ god is. ‘Gewoon’ god, dat is de god van bladgoud die hij onbeweeglijk in tempels ziet staat. ‘Gewoon’ god, dat is de macht in het kwadraat, die mensen terugzien in de ordebewaarders en de wereldbeheersers. ‘Gewoon’ god is de god van ‘zo zit het’ en van je nederig voegen in je lot. Of van het o zo mooie waarmee een mens zich spiritueel vermaakt als het hem even te veel wordt.
Maar Johannes is een Jood, die niet gelooft in ‘gewoon’ god. Er is een spreken dat alles anders maakt. Dat spreken is het begin van alles. Zelfs de feiten die de mens maken tot een late toevalstreffer in een zwijgend en uitdijend heelal, gaan niet aan dat spreken vooraf. En ook niet de God die je zou willen denken achter dat spreken. Nee, alles wordt door Johannes gezet op dat spreken. Een bevrijdend spreken dat maakt dat een mens hoort, het hoofd optilt, opstaat uit de gevangenschap van feiten en zelf tot spreken komt. Een spreken dat een mens aanspreekbaar maakt op de nood van een ander. Als uw hersens kraken en u afhaakt bij dit soort logica, onthoud dan dat elke wetenschapper een moeder heeft gehad die zijn naam heeft gefluisterd, liedjes heeft gezongen, verhalen heeft verteld, tot hij kon opstaan uit zijn onmondigheid. En net als de schilderijen van Jopie Huisman, zijn de liedjes en de verhaaltjes van een moeder een gelijkenis van dat bevrijdend spreken waar de evangelist Johannes het over heeft.
Dat bevrijdend spreken is mens geworden en heeft onder ons gewoond. Wie zinnig over God wil spreken, hoeft niet meer het heelal af te speuren of hersenkrakers op te lossen. Zoek God onder de mensen. Zoek hem waar geen zinnig mens een God zou zoeken. Zoek hem in wie werd afgedankt. En die zijn rug recht en zijn hoofd optilt, omdat jij hem zoekt en hem aanspreekt met zijn naam. Zoek hem in de kelder van je eigen leven. Laat de deur ervan maar open staan. De kans is groot dat daar de kribbe staat. “Laten al Gods engelen hem eer bewijzen.” (Hebreeën 1: 6) Daar en hier en in de hemel.
In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen.
|