|
“Mijn tijden zijn in uw hand”
(Psalm 31: 16 / NBG ’51)
I
“Mijn tijden zijn in uw hand,” zegt de psalmdichter in zijn gebed. Zou dat ook voor ons gelden? Zouden de brokstukken van het jaar 2011 ook in Gods hand liggen? Zouden wij dat, met de psalmdichter, biddend kunnen belijden? Alles opnoemen wat je in het afgelopen jaar niet buiten je ziel wist te houden. En dan toch zeggen: “Mijn tijden zijn in uw hand.” ?
Misschien zijn er tijden geweest dat u dat makkelijker afging dan vandaag. Oudejaarsavonden die u vervulden met weemoed. “Ach ja, dat is er ook nog gebeurd. En dat. En dat. En die is er niet meer. En die ook niet. Wat gaat de tijd toch snel. En: Wat is een mens nou helemaal?” Maar u kon het aan om terug te kijken en om alle wederwaardigheden in alle rust nog eens voorbij te laten gaan. Niet dat het geen inspanning kostte of geen verdriet los maakte, maar ergens wist u dat de oudejaarsavond een brug was tussen twee oevers, die stevig stonden; tussen twee jaren die stevig verankerd lagen in de tijd. En ergens achter die stevigheid vermoedde u misschien nog God, die het al in zijn hand hield.
Dat is niet meer zo gemakkelijk te geloven. We kennen de beelden van de tsunami die de Japanse kust teisterde en die (om het in Bijbelse taal te zeggen) ‘de bergen spleet en de rotsen aan stukken sloeg’ (1 Kon. 19: 11) Zo vast staan de oevers niet meer. We wankelen de brug over naar een nieuw jaar, zonder dat er nog een leuning is waar je je aan vast kunt klampen. We zijn de balans kwijt. Al een generatie lang venten we het grote goed van de individualiteit uit, de vrije keuze, het zelfstandig denken, doen en laten. En met succes, want zelfs op plekken, waar je het nog niet had verwacht, gingen in 2011 massa’s de straat op en bevolkten ze de pleinen met hun roep om individuele vrijheid. Maar nu wij zonder leuning de brug over wankelen naar een nieuw jaar, weten wij eigenlijk niet goed meer hoe we elkaar de hand moeten reiken; hoe we voor de ander tot steun kunnen zijn en de ander voor mij. Hoe deden ze dat vroeger ook al weer: vorm geven aan de solidariteit?
II
“Mijn tijden zijn in uw hand,” bidt de psalmdichter. En zachtjes bidden we er achter aan: “God, was het maar waar..” Als je een generatie lang hebt gestreden voor het recht op zelfbeschikking, kinderen hebt opgevoed in die vrijheid, de zegen van de zelfontplooiing hebt mee gegeven, dan kun je toch niet meer een god poneren die alles in zijn hand houdt? Het is te laat. We kunnen niet terug. En we moeten dat ook niet willen, hoe logisch het ook is dat je dat op de meest wankele momenten wel zou willen.
Individueel gebeurt dat ook. Ieder die de behoefte voelt, zoekt zijn eigen God. Een God voor ons allen, daar geloven we steeds minder in. Pas als hij ‘iets’ is geworden tussen hemel en aarde, knikken mensen voorzichtig van ‘ja’. Dat ‘iets’ wordt individueel gezocht en ingevuld. Een kerk komt daar voor de meesten niet meer aan te pas. Dat ‘iets’ krijgt smoel in intense gevoelens en ervaringen, die maken dat je het gevoel hebt dat jouw leven een diepere zin heeft. En wie er van hoort, denkt: “Dat wil ik ook.” Zoals mensen dat bij zo veel dingen denken.
“Mijn tijden zijn in uw hand,” bidt de psalmdichter. We laten de woorden toe in dit uur, ook al zijn ze niet meer van deze tijd. En toch. Zouden ze ook iets anders te zeggen kunnen hebben dan dat God alles in de hand heeft – iets wat we niet meer kunnen zeggen uit respect voor alle kennis die we hebben vergaard en de verantwoordelijkheid die we zelf als mensen dragen voor ons doen en laten?
Ik zie God voor me als een die klein geworden is. Zijn grote kracht gaat verborgen in kwetsbaarheid. Een God, zo klein dat niemand nog op hem zit te wachten. Zo klein dat ieder weldenkend mens wel over hem heen moet kijken. Ik zie hem scharrelen tussen de mensen, die wankelend de brug proberen over te gaan van 2011 naar 2012. Ik zie hem oprapen wat de mensen uit handen is gevallen en wat ze over de rand van hun ziel hebben gekieperd omdat het niet te harden was. En omdat het zo veel was en het met de jaren steeds meer lijkt te worden. Hij heeft een kleine hand. Anders dan de hand van kolossale standbeelden van grote leiders. Hij heeft een kleine hand en toch blijft hij maar bukken en scharrelen en rapen wat is gevallen – de scherven van onze overmoed en het ieder voor zich. Het past er allemaal in.
En met dat hij het verzamelt in zijn kleine hand, is het niet langer vergeten. Zo gaat hij met zijn mensen mee. Hij wacht niet tot zij hem opnieuw herkennen zullen als God. Hij wacht op elk moment waarop een mens de hand van de ander grijpt, als het wankelen struikelen is geworden. Hij wacht op elk moment waarop iemand zich toekeert naar een ander, zodat die ander eindelijk zijn verhaal kan vertellen, zijn onmacht kan delen, zijn verdriet kan tonen om wat voorbij gegaan is. En dan zal de ‘scharrelgod’ er zijn om het terug te geven en te zeggen dat het niet verloren is gegaan.
Laat 2012 opnieuw zijn jaar zijn!
In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen
Gebedsintenties
Wij bidden voor onze wereld, uw wereld, groot is het verlangen naar een spoor dat toekomst belooft voor kinderen en kindskinderen, verlangen dat wedijvert met het onvermogen en de onwil om recht te zetten en recht te doen.
Wij bidden voor wie wachten op solidariteit, op een thuis in de wereld, op het jubeljaar van recht en vrede.
Voor hen die mee bouwen aan toekomst, geïnspireerde hulpverleners, begeesterde opvoeders, moeders en vaders, kunstenaars, mensen tegen de stroom van oppervlakkigheid in die hoogte, diepte en perspectief aanreiken aan de kinderen van vandaag.
En voor de gemeente van de Nieuwe Kerk dat zij blijft vooruit grijpen op wat nog niet is, biddend om de Geest die haar open houdt, open naar elkaar, open naar de stad, open naar de toekomst.
Wij bidden voor hen die niet meer geloven dat zich nog iemand interesseert voor hun verhaal en daarmee opgesloten raken in eigen gepeins en bittere gedachten.
Voor hen die deze avond bepaald worden bij het verdriet om een geliefde die gestorven bij het dierbare dat voorbij gegaan is, mensen die met pijn de drempel van een nieuw jaar nemen.
Wij bidden voor hen die ziek zijn en het nieuwe jaar tegemoet gaan met een wankel lichaam en een onzekere geest. En voor hen die genegenheid ontberen voor wie de tedere momenten tot vage herinneringen van vroeger zijn verschraald.
Om rust en ruimte bidden wij waarin U komen kunt om mijn tijden in uw hand te leggen
………………………………………
|