Home Overwegingen Zondag 22 januari 2012 - ds. Evert Jan Veldman
Zondag 22 januari 2012 - ds. Evert Jan Veldman PDF Afdrukken E-mailadres
Geschreven door Ds Evert Jan Veldman   
zondag 22 januari 2012 11:32

1 Korintiërs 8

Marcus 1: 14 – 20

I

Toen mijn dochter Nina een klein meisje was, kon ze op een stoeprand staan en naar de straat kijken alsof ze op een skischans stond en in de diepte keek. Ze knikte dan door haar knietjes, klaar om van de stoeprand te springen, en bedacht zich dan. Nee, toch maar niet. Springen was een brug te ver voor haar.

Mocht ik ooit nog eens opa worden, dan neem ik me voor het anders te doen dan ik met Nina deed. Ik zou weer naast het kleine meisje gaan staan en haar hand vast houden. Maar ik zou niet meer als eerste van de stoeprand springen en in die beweging het kind van haar plaats trekken. Iets dat ik met Nina wel gedaan heb. Want ik vond het net iets te gortig dat zij niet van de stoeprand durfde te springen. De echte drijfveer voor de sprong was mijn ergernis over het gebrek aan moed. Ieder kind durft toch van een stoeprand te springen! Nou nee, Nina dus niet.

Mocht ik ooit nog eens opa worden (of voor een kind een soort opa zijn), dan zou ik opnieuw naast het kind gaan staan en het de hand vasthouden. Maar niet om het in mijn volwassen durf van de stoeprand af te trekken. Ik zou wachten en naar het kind kijken. Ik zou de beweging volgen van de voorgenomen sprong. En weer wachten als het er toch nog niet van kwam. Ik zou wachten tot dat moment dat ik de spanning zou voelen van die kleine hand in mijn hand en het kind de beweging omzet in een echte sprong in het diepe – tien centimeter onder de stoeprand.

II
“Alleen de liefde bouwt op,” schrijft Paulus. Het zijn de enige woorden uit de brieflezing die direct iets met me doen. De rest vraagt om uitleg en enig inzicht in wat de huisgemeente in Korinte bezig houdt.

Er is discussie over de vraag: mogen we offervlees eten, mogen we vlees eten dat gebruikt is in een tempel, gewijd aan afgoden? Zoals overal op de wereld waren er vaste dagen en tijden om een bepaalde god of godin gunstig te stemmen met een offer. In een uitgebreid ritueel werd dan een dier geslacht en een deel van het vlees geofferd. Het vlees dat overbleef werd dan tijdens een feestelijke maaltijd genuttigd, waarbij de initiatiefnemer vaak anderen uitnodigde om deel te nemen aan de maaltijd. Of het vlees werd verkocht op de markt, gewoon met het andere vlees.

En nu was de vraag, die onder de eerste christenen in Korinte leefde: Kun je eigenlijk wel aan zo’n maaltijd deelnemen, waar je vriendelijk voor wordt uitgenodigd? Of: Hoe weet je nu zeker dat het vlees op de markt niet gebruikt is bij een offerritueel aan een of andere god? Wij willen immers niets meer te maken hebben met die goden. We zijn er eindelijk af. We zijn vrij. Dan eet je dat vlees toch niet? Dat kun je toch niet maken?

En tegelijkertijd: Waarom zouden we niet van dat vlees kunnen eten? Paulus maakt het duidelijk: vlees is gewoon vlees. Ja, het is geofferd aan een of andere god, maar hoezo, waar hebben we het dan over? Zo’n god is niet meer dan een beeld waarop je je angsten en verlangens projecteert. Je weet toch dat er niks achter zit, dat zo’n god slechts schone schijn is? Dan is dat vlees toch gewoon vlees waar je van mag genieten en de Ene voor mag danken?

Dat is het spanningsveld in de gemeente van Korinte. Er zijn mensen die zeggen: Doe het niet. Zo dwalen we weer terug naar waar we vandaan kwamen. We zijn toch niet voor niks door Christus vrij gekocht uit onze oude angsten en verlangens? Als we dat vlees eten, zijn we weer met ons hart en onze buik bij gisteren. Anderen zeggen dan: Maar dat is ‘t ‘m nou net: we zijn vrij en dan moeten we ons geen nieuwe angst aanpraten. Heel Korinte is van Christus, ook al weet de stad dat nog niet. Keer je niet af van de mensen, als je wordt uitgenodigd. En geniet van het goede dat Gods aarde ons geeft.

III

Paulus is het met deze laatsten eens. Maar hij zegt vervolgens niet: Gewoon dóen! Hij betrekt de liefde in het spel. Behandel de ander met zachtheid, zegt hij. Want je kunt honderd keer gelijk hebben dat het maar een klein stukje is van de stoeprand naar de straat, voor die ander geldt dat niet. Die ander zit er mee als hij offervlees eet en hij verliest zijn vreugde en zijn vrijheid die hij in Christus heeft gewonnen, wanneer jij hem van de stoeprand trekt. Dan is ie verloren, zegt Paulus. Niet voor de hemel of de eeuwigheid of zo, maar in het nu. Hij voelt zich rot en schuldig over het eten van dat vlees.

Jij hebt voor je broeder-of-zuster als Christus te zijn. Houd contact met de zwakheid van de ander – want zo benoemt Paulus die angstige houding wel. Omarm die zwakheid. Accepteer de ander. Want de liefde die je zo laat zien, weegt oneindig veel zwaarder dan jouw gelijk. Wees als Christus voor de ander. Houd haar in liefde vast, tot ze in die liefde de kracht vindt om zelf van de stoeprand te springen. Pres de ander niet met jouw gelijk. “Kennis maakt verwaand,” zegt Paulus, “Alleen de liefde bouwt op.” En, voegt hij er tenslotte aan toe: “Als ik dus door vlees te eten mijn broeder of zuster ten val breng, wil ik het nooit ofte nimmer meer eten.” Paulus is heel duidelijk: alle kennis wortelt in Gods liefde. Raakt ze daarvan los, dan maakt ze verwaand. Je kunt (volgens Paulus) alleen maar kennen, omdat God jou gekend heeft in zijn oneindige liefde; omdat hij naast je kwam staan en je hand pakte toen jij in de afgrond van jouw bestaan keek.

IV

Wat Paulus hier schrijft, is nog niet zo makkelijk te vertalen naar onze tijd. Elkaar vrij laten in doen en denken is wel ongeveer het hoogste goed dat wij elkaar te bieden hebben. En ook al eet ik zelf geen vlees meer, ik zou het Paulus nog niet een-twee-drie nazeggen: “Als ik dus door vlees te eten mijn broeder of zuster ten val breng, wil ik het nooit ofte nimmer meer eten.” Want er zijn grenzen aan wat ik laten wil voor een ander. Als de tenen van de ander zo lang zijn, dat ik niet anders kan dan er op gaan staan, dan zij het zo.

Als er geen mensen waren geweest, die gevochten hadden voor hun individueel recht op zelfontplooiing, vanuit een houding van ‘je kunt me wat!’, dan zat elke homoseksueel nu nog in de kast en werd onze kerk nog bestuurd door louter oude mannen. Was voor Paulus de onderlinge liefde in de gemeente het grootste goed, voor ons is dat het respect voor de individuele vrijheid van de ander en van die van jou. En dat gaat het gemeenteleven te boven en te buiten.

Toch zijn ook wij vandaag op zoek naar de plek waar de individuele vrijheid in onze cultuur ankert. Om die vrijheid niet kwijt te raken in de stormen van deze tijd. En dan kom ik toch uit bij oude begrippen als compassie en zorg voor de zwakken. Individuele vrijheid houdt het alleen maar als de een de ander niet uit het hart sluit. En komt dat niet dicht in de buurt bij Paulus’ uitwerking van de vrijheid in Christus?

In de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.

Amen

 


Copyright © 2009-2012 Nieuwe Kerk Groningen. Alle rechten voorbehouden.

 

 
festivalvandegeest