|
Inleidende woorden bij de lezing
Morgengebed (thema: ‘Stilte')
in de Nieuwe Kerk
16 november '08
1 Koningen: 19 vers 12 en 13
Het gefluister van een zachte bries. De stem van een zachte stilte. Het geluid van uitgehamerd zwijgen. Wat we straks horen in de lezing is bijna niet te vertalen. Misschien wanneer we onze pogingen laten varen, de pen neerleggen, het notebook dichtdoen, misschien zullen we het dan ervaren mogen: een stilte die ons omwoont. Niet langer "God" hoeven zeggen omdat elk woord er één te veel is. Zo dun is dan de wand geworden tussen God en jou dat er geen woorden als wegwijzers meer nodig zijn.
Hij zoekt je op. Of moet ik zeggen: "Zij"? Want dat wat jou omwoont is adem. En adem is in de bijbel vrouwelijk. Ruach, een woord dat uitloopt in een ademtocht. Zo voorzichtig dat het wel vrouwelijk moet zijn. Maar krachtiger is ze dan de windvlaag die bergen splijt en rotsen aan stukken slaat. Schokkender dan de aardbeving. Meer louterend dan het vuur.
Het is een heikel gebeuren, God die jou omwoont. Zwijmelen is het niet. Want de stem van een zachte stilte zegt ‘nee' tegen het lawaai dat je maakt; om jezelf te bewijzen of jezelf te beschuldigen; om jezelf te beklagen bij God of om voor Hem door het vuur te gaan. De stilte wacht tot je bent uitgeraasd. Tot je het ‘ja' van God aan jouw adres kunt horen. En jij open gaat.
Wat daarbinnen in jou huist, hoeft niet mooi te zijn. Er huist verdriet om wat is misgegaan. Gemis waar ook geen woorden voor te vinden zijn. Leegte die zich maar niet laat vullen. Er is dat hoekje waar je in weg kruipt als je je verbergen moet. God wandelt met jou mee naar binnen. Niet met klompen maar in de fluistering van een ademtocht. Zij zucht met jou en fluistert: Alles wordt nieuw. Jij bent een nieuwe schepping.
In de lezing komt een mens voor de dag als hij het gefluister hoort. Zijn omhulsel, hard als de rotsen, laat hij achter zich. Zijn harnas, hij wordt er uit gefluisterd. Hij slaat zijn mantel voor het gezicht. Niet om zich opnieuw te verbergen. Dichter komt hij bij zichzelf. Lawaai is buitenkant. Het dringt zich op. Of het moet er uit. Maar deze fluistering die jou omwoont is binnenkant, wil in jou zijn, is God.
|