facebook
twitter
logotype
deco

Een levend huis

Petrus logeert bij Mirjam thuis. Mirjam, Micha en Petrus zijn in de tuin. ‘Waar woon jij?’, vraagt Micha. ‘Ik woon hier’, zegt Petrus. Micha schudt zijn hoofd. ‘Nee, hier woont Mirjam’, zegt hij. ‘Kijk, achter dat raam is haar kamer.’ Hij wijst naar boven. ‘Jij logeert hier alleen maar.’

Petrus schudt zijn hoofd. ‘Geef me eens een hand’, zegt hij. Ze maken een kringetje van twee jongens en een meisje. Dan zegt Petrus: ‘Dít is mijn huis! En jullie zijn de stenen; de levende stenen van mijn huis.’ Ze maken een kleine rondedans. ‘Lekker handig’, zegt Micha, ‘Als het regent, houdt dit huis je niet droog’. ‘Nee’, antwoordt Petrus, ‘maar als ik huilen moet, zien jullie dat direct en dan kunnen jullie mijn tranen drogen. En als ik jullie zie lachen, dan word ik zelf ook vrolijk.’ ‘Een huis van drie levende stenen’, grinnikt Mirjam.

Dan komt Hanna de tuin in. Ze heeft thuis geen tuin. ‘We gaan ons huis groter maken’, zegt Petrus. Hanna komt ook in de kring. ‘Ik wil later een huis op een heuvel’, zegt ze, ‘Ik wil ver kunnen kijken.’ Petrus pakt haar op en zet haar op zijn brede schouders. Hanna vindt het prachtig. Ze kan nu over de heg en over de schutting heen kijken naar alle kanten. ‘Laat horen wat je ziet’, zegt Petrus. En dat doet Hanna.

‘Wij zijn het levend huis van Jezus’, zegt Petrus, ‘Er kan altijd een levende steen bij. Niemand hoeft buiten te staan. Niemand kan zeggen: ‘Dit is míjn huis en níet dat van jou.’ Het is een huis waar voor elkaar gezorgd wordt. En nergens zit een muur in de weg. Je kunt de hele wereld zien.’ ‘Ja’, lacht Hanna die eigenlijk best klein is, ‘Ik kan de hele wereld zien!’ 

Kinderverhaal 4 mei 2014
Lezing: 1 Petrus 2: 1 – 10
In de koffer: legostenen of bouwblokjes

Klik op de foto voor het volledige fotoboek